blog

    Nieuw toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen (deel I)

    Paul Bodden
    Paul BoddenPublicatiedatum: 11 mei 2017
    Nieuw toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen (deel I)

    Dat het toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen zal worden gewijzigd, is wel zeker. Hoe precies en wanneer is vooralsnog onduidelijk. Twee ontwikkelingen zijn relevant: 1) de conclusies en aanbevelingen van de bestuurlijke werkgroep Evaluatie regelgeving geurhinder door veehouderijen en 2) het Besluit kwaliteit leefomgeving (dat tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking zal treden). In dit blog ga ik in op de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep. In een tweede blog kom ik terug op het Besluit kwaliteit leefomgeving.

    Tussenrapportage

    In mijn blog van 26 oktober 2015 stond ik reeds stil bij een tussenrapportage van de bestuurlijke werkgroep. Intussen heeft de bestuurlijke werkgroep haar eindrapportage opgeleverd.

    Eindrapportage

    Op dit moment kan een veehouderij als sprake is van een overbelaste situatie nog uitbreiden, mits de veehouderij (kort samengevat) emissiereducerende voorzieningen toepast. De emissiewinst die daarmee wordt behaald, mag voor de helft worden opgevuld (meer dieren) en komt voor de andere helft ten gunste van het milieu. Als het aan de werkgroep ligt, verdwijnt deze zogeheten ’50/50-regel’. Wordt een voorkeurswaarde overschreden, dan dient volgens de werkgroep geen generieke regeling, maar maatwerk te worden toegepast. De werkgroep volstaat echter met de stelling dat hiervoor een afwegingsmodel of handreiking moet worden opgesteld. Verder zou de toets aan het criterium van de beste beschikbare technieken (BBT) een voornamere plaats moeten krijgen. Hoe dat zou moeten, laat de werkgroep eveneens in het midden. Waarom de huidige wet- en regelgeving op dit punt niet zou volstaan, maakt de werkgroep ook niet duidelijk.

    Stoppersregeling

    De werkgroep vraagt speciale aandacht voor de stoppersregeling uit het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Mocht een bedrijf dat deelneemt aan deze regeling doorstarten, dan dient het bedrijf volgens de werkgroep wat betreft geur (gewoon) te worden getoetst aan de voorkeurgrenswaarde en de BBT-eisen.

    Geurnormen

    Over de normstelling bestaat verdeeldheid, zo constateert de werkgroep. Milieufederaties, burgergroeperingen en GGD’en pleiten voor een voorgrondbelasting van maximaal 2 odour units in de bebouwde kom en 5 odour units in het buitengebied. De achtergrondbelasting zou 5 respectievelijk 10 odour units mogen bedragen. De werkgroep doet op dit punt geen harde uitspraak.

    Verder refereert de werkgroep aan de wens van sommige partijen om het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden te heroverwegen dan wel af te schaffen.

    Melkrundveehouderij

    Voor melkrundveehouderijen adviseert de werkgroep gestaffelde afstanden, waarmee rekening wordt gehouden met het aantal dieren. De bijdrage van de geurhinder van melkrundveehouderijen aan de achtergrondbelasting zou ook uitgerekend moeten kunnen worden.

    Nog veel ongewis

    Eigenlijk bevat de eindrapportage van de werkgroep slechts enkele suggesties (die niet of nauwelijks zijn uitgewerkt). Er lopen echter al projecten en onderzoeken naar aanleiding van de tussen- en eindrapportage. Een vrij grote wijziging in het toetsingskader lijkt dan ook in voorbereiding te zijn, al is het laatste woord natuurlijk aan de politiek. Ook het Besluit kwaliteit leefomgeving zal het toetsingskader voor geurhinder van veehouderijen veranderen. Daarop ga ik in een volgend blog in.