blog

    Omgevingsvergunning op de plank: reservering voor de toekomst?

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 21 juli 2016
    Omgevingsvergunning op de plank: reservering voor de toekomst?

    Vooral bij veehouders is de gedachte niet vreemd om vergunningen aan te vragen om rechten voor de toekomst veilig te stellen. Het almaar aanscherpend beleid van de overheid maakt dat een beroep op verkregen rechten goed kan uitkomen. Er wordt dus niet gebouwd, de vergunning ligt op de plank totdat de tijd rijp is om er iets mee te doen. En als de gemeente moeilijk gaat doen over de “slapende vergunning” dan worden snel wat bouwactiviteiten op touw gezet om de vergunning te behouden. Maar werkt het wel zo? 

    “Slapende vergunning” 

    De strategie om met “slapende vergunningen” rechten te reserveren heeft vorige week een flinke knauw gekregen. De Raad van State deed op 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1917) uitspraak in een zaak over intrekking van een omgevingsvergunning voor bouwen. Artikel 2.33 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor bouwen in te trekken als gedurende 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning. 

    Termijn van 26 weken

    Burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren trokken een omgevingsvergunning in, alhoewel na de periode van 26 weken nog fragmentarisch bouwwerkzaamheden waren verricht. In hoger beroep bij de Raad van State werd opgeworpen dat de bouwwerkzaamheden niet langer dan 26 weken hadden stilgelegen en de gemeente dus niet bevoegd was om de vergunning in te trekken. Met die beroepsgrond werd geen succes geboekt. De Raad van State legt nog eens goed uit hoe het wettelijk stelsel werkt. Als over een periode van 26 weken geen gebruik is gemaakt van de vergunning dan ontstaat voor burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de vergunning in te trekken. Als daarna bouwwerkzaamheden zijn verricht gaat geen nieuwe periode van 26 weken lopen. De intrekkingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders blijft gewoon bestaan. 

    Afweging van belangen

    Burgemeester en wethouders zijn wel gehouden om de bouwwerkzaamheden te betrekken bij de afweging of de vergunning in redelijkheid kan worden ingetrokken. Als de bouw alsnog en serieus wordt opgepakt en daadwerkelijk afbouw wordt beoogd, dan dienen burgemeester en wethouders daarmee rekening te houden en weegt het belang van de vergunninghouder zwaar. Dat is anders als de bouw steeds wordt onderbroken, geen voortgang wordt gemaakt en de bouwactiviteiten niet structureel zijn. Dat laatste was het geval in Haaren. Het besluit van burgemeester en wethouders om de vergunning in te trekken bleef daarom overeind.

    Wijze les

    Reserveringsclaims via een omgevingsvergunning die niet wordt benut, hebben maar een beperkte houdbaarheid. Als de vergunning gedurende een half jaar onbenut blijft dan kunnen burgemeester en wethouder die vergunning al intrekken. Die bevoegdheid blijft bestaan als de bouw alsnog wordt gestart. De truc om bouwactiviteiten te beginnen om de vergunning te kunnen behouden is risicovol. Burgemeester en wethouder moeten een belangenafweging verrichten. Als niet serieus wordt ingezet op afbouw is de kans groot dat burgemeester en wethouder de vergunning succesvol kunnen intrekken. Dan verdampt de investering in de verkregen vergunning. De vraag is dus of je hieraan moet beginnen.