blog

    Onrechtmatige geurhinder?!

    Paul Bodden
    Paul BoddenPublicatiedatum: 2 februari 2018
    Onrechtmatige geurhinder?!

    Op 20 december 2017 heeft de rechtbank Gelderland een uitspraak gedaan over onrechtmatige geurhinder (ECLI:NL:RBGEL:2017:6442). De uitspraak komt er kort gezegd op neer dat hoewel de veehouder in kwestie een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft voor een geurbelasting die groter is dan de wettelijke norm (in dit geval: 14 OUE/m3), hij toch gehouden is om de geurhinder terug te brengen tot deze norm. Aan de uitspraak is in de media veel aandacht besteed. Juridisch gezien is de uitspraak naar mijn mening onbegrijpelijk.

    Volgens vaste jurisprudentie is het antwoord op de vraag of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder.

    De rechtbank stelt vast dat sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning. Deze is weliswaar verleend in een overbelaste situatie en op grond van de ‘50%-50%-regel’ (onder andere artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij), maar op dit punt overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien dat de veehouder onrechtmatig zou hebben gehandeld door zich te houden aan de 50%-50%-regel. Deze regeling is een door de wetgever verankerde regeling waarin een belangenafweging tussen het belang van de veehouder en de belangen van het milieu heeft plaatsgevonden, aldus de rechtbank. Vreemd genoeg verklaart de rechtbank wel voor recht dat de geurhinder in dit geval niet meer mag bedragen dan 14 OUE/m3 en veroordeelt de veehouder om maatregelen te treffen en schade te vergoeden. In het licht van de hiervoor aangehaalde vaste jurisprudentie is dit oordeel onbegrijpelijk. De veehouder heeft immers met toepassing van de 50%-50%-regel een onherroepelijke omgevingsvergunning verkregen die ziet op een grotere geurbelasting dan 14 OUE/m3 en de rechtbank motiveert niet welke bijzondere omstandigheden maken dat niettemin sprake is van onrechtmatige hinder.

    Ik heb begrepen dat de veehouder hoger beroep zal instellen. Wordt vervolgd!