Onzekerheid vleesveehouders duurt voort

Onzekerheid vleesveehouders duurt voort

Blog thema: Groeiregulering melkveehouderij

9 maart 2018

Per 1 januari 2018 is het stelsel van fosfaatrechten in de Meststoffenwet opgenomen en heeft dat stelsel werking. Niet alleen melkveebedrijven krijgen fosfaatrechten toegekend, in een aantal gevallen geldt dat ook voor vleesveehouderijen. Vleesveehouderijen krijgen niet voor al hun rundvee rechten, maar enkel voor jongvee. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gaat er daarmee van uit dat vleesveehouderijen aanspraak hebben op toekenning van fosfaatrechten, maar deze dus ook nodig hebben. De manier waarop de wettelijke regeling is vorm gegeven is hieraan debet. Vorig jaar werden vleesveehouders ook al betrokken in de fosfaatreductiedoelstellingen (Regeling fosfaatreductieplan 2017). Vanwege ongewenste neveneffecten zijn deze bedrijven vervolgens buiten de werking van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 gebracht. Nu worden deze bedrijven opnieuw met beperkingen geconfronteerd vanwege het stelsel van fosfaatrechten. Dat is echter volstrekt niet de bedoeling van de wetgever geweest.

Bedoeling van de wetgever

De memorie van toelichting op het wetsvoorstel Fosfaatrechten melkvee is duidelijk: "(...) het onderhavige nieuwe stelsel richt zich, gezien de geconstateerde groei van de melkveehouderij en gezien de noodzaak te borgen dat de fosfaatproductie weer onder het mestplafond komt, uitsluitend op die bedrijven die dieren houden die benodigd zijn voor de productie van melk (….)". Volgens de Memorie gaat het dan in de eerste plaats om dieren die gehouden worden voor de productie van melk en in de tweede plaats om dieren die worden gehouden ter vervanging van melk- en kalfkoeien. Evident is beoogd om de productie van dierlijke mest door melkvee te reguleren. In de Memorie wordt dit nog nader toegelicht met de overweging dat er een groep bedrijven (tussen 2.500 en 3.000) bestaat waar geen melk- en kalfkoeien worden gehouden, maar waar wel jongvee wordt gehouden dat in overwegende mate wordt gefokt voor de vervanging van melk- en kalfkoeien. Omdat die bedrijven ook bijdragen aan de groei van de melkveehouderijsector en aan de fosfaatproductie is er voor gekozen om onder de definitie van melkvee niet alleen de diercategorie melk- en kalfkoeien, maar ook de beide categorieën jongvee te scharen.

Uitwerking in de Meststoffenwet

De bedoeling van de wetgever is in de wettekst volstrekt onvoldoende vertaald. De toekenning van fosfaatrechten is in de wet gekoppeld aan melkvee, maar dit begrip is in de wet veel te ruim gedefinieerd. Onder melkvee begrijpt de Meststoffenwet melk- en kalfkoeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden. Verder valt onder de definitie: jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar. En tot slot: jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief vleesvee uitgezonderd roodvleesstieren en fokstieren.

De voor melkvee gekozen definitie heeft tot gevolg dat de wettelijke regeling een veel breder bereik heeft dan de wetgever beoogde. Immers jongvee op vleesveebedrijven valt daar ook onder. Dat heeft de Minister onderkend door daarvoor fosfaatrechten toe te kennen. Opvallend is echter dat dat niet gebeurt waar het de categorie melk- en kalfkoeien betreft. Daaronder vallen namelijk ook koeien die enkel voor de fokkerij worden gehouden. Zoogkoeien kunnen dus onder de gekozen definitie worden gebracht en daarvoor zouden derhalve ook fosfaatrechten moeten worden uitgegeven. Dat gebeurt echter niet. Het standpunt dat zoogkoeien niet onder de diercategorie 100 vallen gaat niet op. De definitie in de wet noemt geen diercategorieën. En evident is dat zoogkoeien voor de fokkerij worden gehouden en daarmee onder de definitie vallen. De wettelijke regeling biedt dus geen ruimte voor interpretatie.

Uiteenlopende belangen

De belangen in de vleesveesector zijn divers. Voor een aantal bedrijven geldt dat de toekenning van fosfaatrechten welkom is. Het gaat immers om verhandelbare rechten die een behoorlijke waarde vertegenwoordigen. Andere bedrijven zien de toekenning van fosfaatrechten juist als een streep door de rekening. Immers begrenzen fosfaatrechten de omvang van de bedrijfsvoering. Dat raakt ook terreinbeherende organisaties.

Hoogst onwenselijk

De voortslepende onzekerheid blijft niet zonder gevolgen. Voor een deel van de toekenningsbeschikkingen geldt dat deze niet zijn bestreden en dus onherroepelijk zijn geworden. Voor degenen die wel bezwaar hebben aangetekend duurt de onzekerheid voorlopig voort. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland neemt maximaal de tijd om een beslissing op bezwaar te nemen. Een beoordeling door de rechter vindt pas daarna plaats. Andere bedrijven hebben helemaal geen toekenningsbeschikking ontvangen. Zij kunnen een dergelijke beschikking alsnog uitlokken door een aanvraag te doen fosfaatrechten toe te kennen. Ondertussen nadert het einde van het eerste kwartaal van 2018 en neemt de speelruimte af om de dierbezetting af te stemmen op de omvang van het fosfaatrecht. Niet uitgesloten is dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ingrijpt. Dat kost echter ook tijd. Om vleesveebedrijven van het stelsel van fosfaatrechten uit te sluiten, moet de Meststoffenwet worden aangepast. Deze gang van zaken is hoogst onwenselijk voor bedrijven die volledig buiten de problematiek staan. Want daarover was de wetgever duidelijk. Ik houd u natuurlijk op de hoogte.