blog

    Opslag van vaste mest en kuilvoer: afstand tot woningen

    Teun VerstappenPublicatiedatum: 20 januari 2017
    Opslag van vaste mest en kuilvoer: afstand tot woningen

    Voor agrarische bedrijven die niet milieuvergunningplichtig zijn, regelt het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder het Activiteitenbesluit) de opslag van vaste mest en kuilvoer. Het Activiteitenbesluit spreekt over agrarische bedrijfsstoffen. De opslag van vaste mest of kuilvoer kan geuroverlast voor nabijgelegen woningen veroorzaken. Het Activiteitenbesluit lost dit op door “functiescheiding”. Er moet een ruimtelijke scheiding tussen geurgevoelige objecten en de opslag worden aangehouden. Hoe werkt dit precies?

    Vaste afstanden

    Bij geuroverlast is de afstand tussen de geurbron en geurgevoelige objecten van grote invloed. In het Activiteitenbesluit is er voor gekozen om mogelijke geuroverlast vanwege de opslag van vaste mest of kuilvoer te voorkomen door vaste afstanden voor te schrijven. Die vaste afstanden zijn opgenomen in artikel 3.46 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Vaste mest en kuilvoer dient te worden opgeslagen op ten minste 100 meter afstand van een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom ligt of op minimaal 50 meter afstand van een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom ligt. Deze regeling geldt voor nieuwe situaties. 

    Overgangsrecht

    In bestaande situaties wordt de voorgeschreven afstand tussen de opslag en geurgevoelige objecten vaak niet gehaald. In lid 2 van artikel 3.46 Activiteitenbesluit is een regeling opgenomen voor bestaande situaties: overgangsrecht. De vaste afstanden van 100 en 50 meter gelden niet als:

    1. de opslag op kortere afstand ligt,
    2. die opslag al bestond vóór 1 januari 2013 én
    3. verplaatsing van de opslag in redelijkheid niet kan worden verlangd.

    Wordt hieraan voldaan, dan is de bestaande opslag (milieurechtelijk) toegestaan, ook als die te kort op een woning ligt. 

    Legale opslag of niet?

    Tot voor kort was niet duidelijk of het hiervoor beschreven overgangsrecht verlangt dat de bestaande opslag vóór 1 januari 2013 legaal aanwezig was. De Raad van State heeft zeer recent duidelijkheid verschaft op dit punt. Het is niet zo dat het overgangsrecht alleen geldt voor legale opslag van vaste mest of kuilvoer. De Raad van State overweegt namelijk dat in artikel 3.46 lid 2 uitsluitend de voorwaarde is gesteld dat de opslag vóór 1 januari 2013 feitelijk plaatsvond. De wettelijke regeling vereist dus niet dat de opslag op dat moment legaal aanwezig was. Anders gezegd: het overgangsrecht geldt voor bestaande opslag van mest of kuilvoer, of die opslag nu wel of niet aanwezig mocht zijn. 

    Voor de praktijk is dit een belangrijke uitspraak. Heb je vragen over de uitspraak van de Raad van State of de regelgeving met betrekking tot de opslag van agrarische bedrijfsstoffen, neem dan gerust contact op.