blog

    Pacht: hoe zit het met indeplaatsstelling en medepacht?

    José Jochemsen-Vernooij
    José Jochemsen-Vernooij Publicatiedatum: 6 juli 2021
    Afbeelding voor Pacht: hoe zit het met indeplaatsstelling en medepacht?

    Bij het voortzetten van een boerenbedrijf komen veel zaken om de hoek kijken. Een daarvan is de vraag wat de mogelijkheden met (regulier) gepachte grond zijn in relatie tot bedrijfsopvolgers. De pachter kan indeplaatsstelling vorderen, maar kan ook vorderen dat een naaste als medepachter wordt aangemerkt.

    In deze blog ga ik in op de indeplaatsstelling en medepacht. Wat zijn de voorwaarden en verschillen? Hierbij wordt een recent arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden besproken, waarin een criterium dat zowel voor indeplaatsstelling als medepacht relevant is, centraal stond.

    Indeplaatsstelling (artikel 7:363 BW)

    Stel dat de pachter wenst dat zijn kind het boerenbedrijf voortzet. Dan is de eenvoudigste route om de verpachter te vragen om mee te werken aan die indeplaatsstelling. Minnelijk kan deze indeplaatsstelling gebeuren door een pachtwijzigingsovereenkomst.

    Is de verpachter niet bereid om daaraan mee te werken, dan  kan de pachter zich tot de rechter wenden. Daar vordert de pachter dan dat er een indeplaatsstelling komt van één of meer naasten. Artikel 7:363 BW regelt de gedwongen indeplaatsstelling en bevat dwingend recht. Indien de vordering wordt toegewezen, dan wordt de bestaande (reguliere) pachtovereenkomst met de nieuwe pachter voortgezet.

    Vordering door pachter zelf

    Uit het eerste lid van artikel 7:363 BW volgt dat het verzoek van de pachter afkomstig moet zijn. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de gewenste nieuwe pachter zelf het verzoek aan de rechter voorlegt. Doet hij dat wel, dan zal de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

    Beperkte groep van ‘naasten’

    Daarbij kan de vordering tot indeplaatsstelling van de oorspronkelijke pachter slechts zien op een beperkte groep van ‘naasten’. Er is een limitatieve opsomming van de ‘naasten’ genoemd (namelijk: de echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of pleegkinderen van de pachter), die als medepachter kunnen worden aangemerkt. Het is dus op grond van dit artikel niet mogelijk dat de broer of zus van de pachter in zijn plaats wordt gesteld, aangezien een broer of zus niet onder de limitatieve opsomming valt. Vanzelfsprekend kan een verpachter wel op minnelijke wijze hiermee instemmen.

    Voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering

    Het vijfde lid van artikel 7:363 BW bepaalt dat de voorgestelde pachter voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering moet bieden. Met andere woorden: de voorgestelde pachter moet in staat worden geacht zelfstandig de bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte voort te zetten. Het ‘voldoende waarborgen’-criterium zorgt veelal voor discussie en stond ook centraal in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

    Zo zijn verschillende omstandigheden in dit kader relevant. Bijvoorbeeld dat de voorgestelde pachter voldoende theoretische én praktische scholing heeft gehad om het bedrijf te kunnen voortzetten. Maar ook dat de voorgestelde pachter ervaring heeft binnen het over te nemen bedrijf of binnen een vergelijkbaar bedrijf. De voorgestelde pachter moet kennis van essentiële bedrijfsgegevens hebben en beschikken over inzicht in de achtergronden van landbouwkundige exploitatie van het gepachte.

    Bedrijfsmatige exploitatie

    Het is van belang dat de voorgestelde pachter het gepachte bedrijfsmatig zal gaan gebruiken. Is daarvan geen sprake, dan levert dit een grond op voor ontbinding van de pachtovereenkomst (artikel 7:376 lid 1 sub a jo. artikel 7:312 BW).

    Uit de negatieve formulering van het vijfde lid kan worden afgeleid dat het, conform de hoofdregel van art. 150 Rv, aan de verpachter is om te bewijzen dat de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering kan bieden. Overigens mag hierbij wel verwacht worden dat de pachter voldoende gegevens over de bedrijfsvoering overlegt.

    Ruimte voor andere overwegingen van de rechter

    Op grond van het derde lid van artikel 7:363 BW beslist de rechter naar billijkheid. Dit geeft de rechter ruimte om de vordering tot indeplaatsstelling eventueel af te wijzen op grond van andere overwegingen dan op grond van het vijfde lid. Denk dan aan het binnen afzienbare tijd verwachten van het eindigen van de pacht, het bestaan van gering economisch belang bij voortzetting van de pacht of de omstandigheid dat de voorgestelde pachter het bedrijf van de oorspronkelijke pachter niet wenst voort te zetten, maar het gepachte aan zijn eigen bedrijf wil toevoegen.

    Voorwaarden door de rechter

    De rechter kan op grond van artikel 7:363 lid 7 BW voorwaarden verbinden aan zijn toewijzing van de vordering. Bijvoorbeeld de voorwaarde dat de voorgestelde pachter zijn functie in loondienst geheel of gedeeltelijk opgeeft of dat hij een opleiding zal volgen. De pachtrechter stelt in de praktijk echter zelden voorwaarden die zien op de bedrijfsvoering. Dit is verklaarbaar, omdat de pachtrechter dan in feite op de stoel van de boer gaat zitten.

    Vordering in reconventie door de verpachter

    Tevens kan de verpachter in reconventie indeplaatsstelling vorderen van een andere naaste van de pachter dan de bedrijfsopvolger die door de pachter is voorgesteld. Ook dit komt in de praktijk nauwelijks voor. Dat heeft ermee te maken dat een dergelijke tegenvordering van de verpachter alleen nut heeft wanneer een andere naaste van de pachter dan de bedrijfsopvolger die door de pachter is voorgesteld, bereid is om pachter te worden.

    Medepacht (artikel 7:364 BW)

    Wil de pachter zelf nog niet stoppen, maar is het wel wenselijk dat een of meer personen als medepachter aangemerkt worden, dan biedt medepacht de uitkomst. Denk bijvoorbeeld aan een pachter die het boerenbedrijf samen met zijn kind wil gaan exploiteren. Ook dan kan de pachter zich tot de rechter wenden met het verzoek dat zijn kind aangemerkt wordt als medepachter, indien hij er met de verpachter niet uitkomt op minnelijke wijze.

    Een verzoek tot het aanmerken van een ander als medepachter kan op grond van het eerste lid van artikel 7:364 BW enkel zien op dezelfde groep van ‘naasten’ als bij indeplaatsstelling. De voorgestelde medepachter behoort in de procedure partij te zijn. Zo kan hij zich aan de zijde van de pachter voegen of door de pachter in het geding worden opgeroepen. Deze voorgestelde medepachter moet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering kunnen bieden en de rechter heeft de ruimte om naar billijkheid te beslissen op de vordering tot het aanwijzen van een medepachter. Ook bij medepacht kan de rechter voorwaarden stellen, zoals hoofdelijke aansprakelijkheid.

    Verschil tussen indeplaatsstelling en medepacht

    Bij indeplaatsstelling gaat het om opvolging van de huidige pachter door een nieuwe pachter. De oorspronkelijke pachter verdwijnt uit beeld en geeft de dagelijkse leiding uit handen. De nieuwe pachter zal het gepachte zelfstandig exploiteren.

    Dat is anders bij medepacht. De medepachter exploiteert het gepachte samen met de oorspronkelijke pachter en dus niet zelfstandig. Dit betekent dat de oorspronkelijke pachter de exploitatie van het gepachte niet volledig aan de medepachter kan overlaten. De oorspronkelijke pachter moet zelf de dagelijkse leiding over de exploitatie behouden.

    Arrest: voldoende waarborgen voor behoorlijke bedrijfsvoering?

    Het vereiste dat de voorgestelde pachter “voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering” moet bieden is dus zowel voor indeplaatsstelling als voor medepacht van belang. In de praktijk is de vraag of dit criterium vervuld regelmatig voer voor discussie. Zo ook in een recent arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

    Feiten

    De pachter heeft een traditioneel akkerbouwbedrijf met ruim 40 hectare aardappelen, uien, tarwe en bieten. De pachter vordert dat zijn zoon als medepachter wordt aangemerkt. Verpachter weigert mee te werken en de pachter wendt zich tot de rechter. De pachtkamer in Middelburg wijst de vordering van pachter af, omdat de zoon als voorgestelde medepachter onvoldoende waarborgen zou bieden voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Hierbij noemt de pachtkamer het ontbreken van een agrarische opleiding en het gebrek aan werkervaring in de landbouw. De pachter is tegen dit oordeel in hoger beroep gekomen.

    Geen relevante opleiding en beperkte ervaring

    Het pachthof overweegt dat de bewijslast op de verpachter ligt, maar dat de oorspronkelijke pachter wel voldoende informatie moet geven over de theoretische en praktische scholing van de zoon (de voorgestelde medepachter). Nu de zoon een diploma van de HTS Autotechniek heeft, enkel in zijn jeugd in vakanties op het land gewerkt heeft en geen agrarische opleiding gehad heeft en niet van plan is die te gaan volgen, is er geen sprake van het bieden van voldoende waarborgen. Te meer niet, omdat de zoon fulltime in loondienst werkt bij een landbouwmechanisatiebedrijf.

    De pachter verricht het merendeel van de werkzaamheden en de zoon springt alleen bij als het nodig is of druk is. De zoon heeft nooit een agrarische onderneming geleid. Ook heeft de zoon volgens het hof niet laten zien dat hij beschikt over voldoende kennis en ervaring om een akkerbouwbedrijf te leiden, de ontwikkelingen in de landbouw te volgen en daarop bedrijfsmatig te anticiperen.

    Daarnaast roept het ingediende bedrijfsplan de nodige vragen op over de overname en de toekomstige winstkansen. De pachter en zijn zoon hebben geen duidelijk beeld geschetst over de financiële mogelijkheden die in het verschiet liggen. De vragen daarover op de zitting zijn niet concreet beantwoord. Het hebben van veel vakkennis op het gebied van mechanisatie en de kennis van traditionele teelten, wegen niet op tegen het gebrek aan relevante opleiding en de beperkte ervaring. Het pachthof oordeelt dat de verpachter terecht heeft gesteld dat de zoon onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering.

    Les voor de praktijk

    Als indeplaatsstelling of benoeming van een medepachter wordt gevorderd, moet dit verzoek zien op een ‘naaste’. Anders heeft de vordering bij voorbaat al geen kans van slagen. Ook moet de voorgestelde opvolger of medepachter over voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering beschikken, waarbij verschillende omstandigheden relevant zijn. De rechter beschikt over de ruimte de vordering tot indeplaatsstelling af te wijzen op grond van andere relevante omstandigheden, bijvoorbeeld als de voorgestelde pachter het gepachte aan zijn eigen bedrijf wil toevoegen.

    Het is goed alle relevante aspecten mee te nemen in de overweging een vordering tot indeplaatsstelling of tot het benoemen van een medepachter in te stellen. Heb je hier vragen over, neem dan contact met mij op.

    Mag ik je op de hoogte houden?

    Schrijf je in voor onze blog updates

    Afbeelding voor Daisy Adams