blog

    De plattelandswoning; van de regen in de drup

    Paul Bodden
    Paul BoddenPublicatiedatum: 30 juli 2015
    De plattelandswoning; van de regen in de drup

    Op 1 januari 2013 is de wettelijke regeling voor de ‘plattelandswoning’ in werking getreden. De regeling komt erop neer dat het gemeentebestuur kan bepalen dat een bedrijfswoning behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, ondanks de agrarische bestemming door een derde (een burger) mag worden bewoond. Hierbij staan het gemeentebestuur drie wegen ter beschikking: het bestemmingsplan, de beheersverordening of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening wordt afgeweken. Indien het gemeentebestuur de woning als zodanig heeft gekwalificeerd, wordt de woning van rechtswege beschouwd als onderdeel uitmakend van de inrichting, hetgeen erop neerkomt dat de woning niet wordt beschermd tegen milieuemissies van (uitsluitend) die inrichting.

    Reeds eerder heb ik kritische kanttekeningen bij de plattelandswoning geplaatst, onder andere in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht. Dat deze rechtsfiguur een probleem kan oplossen staat buiten kijf. De voormalige boer thans burger of zijn rechtsopvolger kan in de woning blijven wonen. Het bedrijf wordt niet langer gehinderd door de ‘eigen’ woning. De boer dient er echter voor te waken dat het middel niet erger wordt dan de kwaal. Met de plattelandswoning wordt namelijk een belangrijk principe van de ruimtelijke ordening verlaten, te weten het principe van ruimtelijke scheiding (zonering). Zo valt het moeilijk met elkaar te rijmen dat er enerzijds wordt gepleit voor vrij grote afstanden tussen woningen en boerderijen (met het oog op bijvoorbeeld zoönoses) en men anderzijds een plattelandswoning op korte afstand van een stal geen probleem vindt.

    Hoewel er al enige jurisprudentie over de plattelandswoning was verschenen, kan pas sinds enkele maanden gesproken worden van belangwekkende jurisprudentie. Hieruit blijkt dat de regeling niet zo eenvoudig kan worden toegepast als in de praktijk veelal werd gedacht. Nog belangrijker: hieruit blijkt dat de plattelandswoning een bedreiging kan zijn voor de boer. Laat ik een voorbeeld noemen.

    Op 4 februari 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over de plattelandswoning en fijn stof (zaaknummer 201306630/5/R3). Appellant exploiteerde een varkenshouderij. Op het perceel bevond zich een woning die als plattelandswoning was bestemd. Appellant voerde aan dat de toegekende aanduiding niet het door de raad beoogde effect kon hebben, te weten dat het laten bewonen van de bedrijfswoning door een derde geen effecten heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting. Op grond van bijlage III bij de Richtlijn 2008/50/EG van de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa dient immers ook ter plaatse van de woning op het perceel de luchtkwaliteit te worden beoordeeld, aldus appellant. De Afdeling overwoog dat het gegeven dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, los staat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat al dan niet moet worden beoordeeld. De uitzondering voor een arbeidsplaats ex artikel 5.16, tweede lid van de Wet milieubeheer is in geval van een (zuivere) bedrijfswoning wel, maar in geval van een plattelandswoning niet aan de orde.

    Kortom: ook een plattelandswoning dient (gewoon) aan de normen voor fijn stof te worden getoetst. De wetgever heeft op dit punt evident een inschattingsfout gemaakt. Intussen lijkt de Minister van Infrastructuur en Milieu met haar handen in het haar te zitten (zie haar brieven van 27 maart 2015 (kenmerk IENM/BSK-2015/49001) en 2 juli 2015 (kenmerk IENM/BSK-2015/118209)). Zij heeft geen oplossing voor dit probleem.

    De boer die op zijn erf een woning heeft die reeds onherroepelijk is aangeduid als plattelandswoning, heeft als gevolg van de onjuiste taxatie van de wetgever een probleem, althans kan een probleem hebben indien de normen voor fijn stof worden overschreden (in de huidige situatie of uitgaande van de door de boer gewenste ontwikkeling). Of zo’n probleem zich manifesteert hangt af van vele factoren, waaronder de onderlinge afstanden op het perceel, de te houden dieren, het type huisvesting, het al dan niet aanwezig zijn van een luchtwasser en de achtergrondconcentratie van fijn stof in het gebied. In een concreet geval kan er aanleiding zijn voor de agrariër om planschade (artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening) te claimen. Dat zal echter in veel gevallen slechts een doekje voor het bloeden zijn.

    Mocht het besluit om een plattelandswoning mogelijk te maken nog genomen moeten worden, dan doet de agrariër er verstandig aan om de eventuele gevolgen voor zijn bedrijfsvoering nauwkeurig in beeld te brengen en (zo nodig) te ageren tegen het (voorgenomen) besluit.