blog

    Rechter brengt correctie aan op relativiteitsvereiste in bestuursrecht. Relevant voor beroepen tegen o.a. omgevingsvergunningen, Natuurbeschermingswetvergunningen en bestemmingsplannen

    Rechter brengt correctie aan op relativiteitsvereiste in bestuursrecht. Relevant voor beroepen tegen o.a. omgevingsvergunningen, Natuurbeschermingswetvergunningen en bestemmingsplannen

    De Raad van State heeft op 16 maart 2016 uitgemaakt dat indien een appellant een beroep doet op een norm die eigenlijk niet strekt tot de bescherming van zijn belangen, het beroep toch inhoudelijk kan worden beoordeeld als het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

    Op grond van het relativiteitsvereiste wordt een beroep van een appellant tegen  bijvoorbeeld een Natuurbeschermingswetvergunning voor een veehouderij, alleen inhoudelijk bekeken door de rechter als het belang van de appellant (bijvoorbeeld een omwonende van de veehouderij) is verweven met de algemene belangen die de Natuurbeschermingswet beoogt te beschermen. Hiervoor moet het Natura 2000-gebied deel uitmaken van de directe leefomgeving van appellant. Anders gezegd, de appellant moet dichtbij het Natura 2000-gebied wonen (gelet op de jurisprudentie op minder dan 500 meter afstand. Dit kan anders zijn indien er sprake is van zicht op het Natura 2000-gebied).

    Het is de vraag hoe vaak de correctie op het relativiteitsvereiste in de praktijk door de Raad van State zal worden toegepast. Een beroep op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel kan alleen worden gehonoreerd als aan de vereisten die voor deze beginselen gelden, wordt voldaan. De vereisten hiervoor zijn – volgens vaste rechtspraak – zeer streng. Toepassing van de correctie zal dus een uitzondering blijven.

    In dezelfde uitspraak overweegt de Raad van State dat de toepassing van het relativiteitsvereiste niet in strijd is met het Verdrag van de Rechten voor de Mens (EVRM), met de Unierechtelijke implementatie van het Verdrag van Aarhus of met het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming. De houdbaarheid van het relativiteitsvereiste staat daarmee vast.