blog

    Relativiteit en de plan-m.e.r.

    Teun VerstappenPublicatiedatum: 8 september 2015Laatste update: 31 juli 2019
    Relativiteit en de plan-m.e.r.

    Wie kan zich bij de rechter beroepen op een schending van de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling en de verplichting tot het opstellen van een plan-m.e.r. vanwege een passende beoordeling? (AbRS 3 juni 2015, zaaknummer 201405542/1/R3)

    De belangrijke feiten

    In april vorig jaar heeft de raad van Tilburg een bestemmingsplan vastgesteld voor een gebied aan de westrand van de stad. Het bestemmingsplan voorzag niet in nieuwe ontwikkelingen. Een grondeigenaar vecht het bestemmingsplan aan, omdat hij daar een woon-werkgebied wil realiseren. Het bestemmingsplan staat dat niet toe. De grondeigenaar woont niet op zijn gronden en hij heeft daar ook geen bedrijf.  Bij de Raad van State voert hij aan dat voor het bestemmingsplan ten onrechte geen passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is opgesteld. Daarnaast werpt hij op dat – nu geen passende beoordeling is opgesteld – ten onrechte geen plan-m.e.r. op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is opgesteld.

    De regels

    Voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling worden opgesteld in het geval het plan kan leiden tot negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. In het geval dat voor een bestemmingsplan een passende beoordeling moet worden opgesteld, moet voor dit bestemmingsplan tevens een plan-milieueffectrapportage op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer worden opgesteld.

    Het relativiteitsvereiste en het ontbreken van een passende beoordeling

    De Raad van State vindt dat de grondeigenaar zich niet op het ontbreken van een passende beoordeling kan beroepen, omdat hij hier geen belang bij heeft. De Natuurbeschermingswet 1998 heeft immers bescherming van de natuur en het landschap tot doel. Het belang van de grondeigenaar ligt echter in het verkrijgen van een bestemming die het door hem gewenste woon-werkgebied mogelijk maakt. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan een beroep op het ontbreken van een passende beoordeling.

    Uit de uitspraak van de Raad van State van 13 juli 2011, zaaknummer 201008514/1/M3, volgt al dat een burger zich alleen op het ontbreken van een passende beoordeling kan beroepen in het geval dat hij in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied woont. Het Natura 2000-gebied maakt dan onderdeel uit van zijn leefomgeving. In dat geval kan hij opkomen voor het belang van het behoud van de goede kwaliteit hiervan. In deze zaak deed deze situatie zich echter niet voor. De grondeigenaar woont immers niet in of dichtbij het plangebied.

    Het relativiteitsvereiste en het ontbreken van een plan-m.e.r. vanwege de passende beoordeling

    De Raad van State vindt dat de grondeigenaar zich evenmin op het ontbreken van een plan-m.e.r. kan beroepen, omdat hij hier ook geen belang bij heeft. Het doel van het opstellen van een plan-m.e.r. is immers het bijdragen aan een hoog milieubeschermingsniveau en om ervoor te zorgen dat plannen met mogelijk aanzienlijke milieueffecten aan een milieubeoordeling worden onderworpen. De grondeigenaar roept de schending van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer niet in vanwege een beoordeling van de milieueffecten van het bestemmingsplan. Zijn belang is  enkel gelegen in het verkrijgen van  de door hem gewenste bestemming woon-werkgebied. Het relativiteitsvereiste staat daarom ook in de weg aan een beroep op het ontbreken van een plan-m.e.r.

    In de uitspraak van 1 oktober 2014, zaaknummer 201307140/1/R1, heeft de Raad van State eerder exact hetzelfde beslist over het doel van het opstellen van een plan-m.e.r. In dat geval ging het echter om een plan-m.e.r. op grond van het lijstenstelstel ex artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van deze bepalingen dient een plan-m.e.r. te worden opgesteld als het een kader vormt voor een project-m.e.r.(beoordelings)-plichtig besluit, zoals bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu. In deze uitspraak heeft de Raad van State voor het eerst duidelijk gemaakt dat het doel van het opstellen van een plan-m.e.r. op grond van artikel 7.2a van de Wet milieu beheer hetzelfde is als bij een plan-m.e.r. op grond van artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Verder maakt deze uitspraak duidelijk dat in het geval een burger geen belang heeft bij het opstellen van een passende beoordeling (en hij zich hier dus niet op kan beroepen), dit niet betekent dat hij per definitie ook geen belang heeft bij het opstellen van een plan-m.e.r. op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Dit zijn ondanks het feit dat in een dergelijk geval de plan-m.e.r. vanwege de passende beoordeling moet worden opgesteld twee afzonderlijke juridische vragen.