blog

    Stelsel van fosfaatrechten: vleesvee, de aanpak per diercategorie

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 30 januari 2020Laatste update: 31 januari 2020
    Stelsel van fosfaatrechten: vleesvee, de aanpak per diercategorie

    Begin januari 2018 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het fosfaatrecht voor melkveebedrijven vastgesteld. Daarbij was de definitie van “melkvee” in artikel 1 lid 1 onder kk Meststoffenwet richtinggevend. Toch zijn er fosfaatrechten terechtgekomen bij bedrijven die deze volgens de Minister niet nodig hadden.

    De Minister haalde die rechten terug door de toekenningsbeslissingen te herzien. Dat gebeurde bij bedrijven waar niet gemolken werd, maar ook bij melkveebedrijven met een vleesveetak.

    Een aantal betrokken bedrijven legde zich niet bij de besluitvorming van de Minister neer. Die bedrijven tekenden bezwaar aan en gingen vervolgens in beroep. Vorig jaar heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in een aantal uitspraken richting gegeven aan de oplossing van deze problematiek. De Minister zag zich vervolgens gedwongen tot een herbeoordeling. Daartoe heeft zij bij de betrokken bedrijven nadere informatie opgevraagd. Lopende bezwaarprocedures zijn stil gelegd. In een aantal gevallen leidde dat tot nieuwe beslissingen, vaak hoorde de veehouder niets meer en bleef alles bij het oude.

    Hoe beoordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven de aanpak van de Minister en hoe gaat het verder? Om ervoor te zorgen dat je volledig op de hoogte bent, neem ik dit per diercategorie met je door.

    Definitie van melkvee in de Meststoffenwet

    Voor een goed begrip is het zinvol de definitie van melkvee in de Meststoffenwet er bij te pakken. De definitie van melkvee luidt als volgt:

    1. Melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
    2. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar, en;
    3. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

    Diercategorie 120: zoogkoeien

    Voor zoogkoeien zijn geen fosfaatrechten nodig. Voor deze diercategorie hoeven en kunnen dus ook geen fosfaatrechten worden berekend. Dat heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitgemaakt in haar uitspraak van 25 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:244). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven neemt de wetsgeschiedenis tot uitgangspunt en overweegt dat de wetgever welbewust een onderscheid heeft willen maken tussen melk- en kalfkoeien enerzijds en zoogkoeien binnen de vleesveesector anderzijds.

    Daaruit leidt het College van Beroep voor het bedrijfsleven af dat een zoogkoe niet onder de definitie van melkvee valt. Het standpunt van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is duidelijk. Toch lopen er nog beroepsprocedures bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven over dit onderwerp. Helemaal uitgediscussieerd is dit vraagstuk dus nog niet. De wetsgeschiedenis is namelijk helemaal niet zo duidelijk als het College van Beroep voor het bedrijfsleven aanneemt.

    Diercategorie 101: stierkalveren jonger dan 1 jaar

    In de eerder genoemde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 juni 2019 beantwoordde het College ook de vraag of stierkalveren als melkvee kwalificeren. Daarvoor is nodig dat zij voor de melkveehouderij worden gehouden.

    Dat achtte het College van Beroep voor het bedrijfsleven in dat geval niet aannemelijk, omdat het ging om kalveren van een vleesvee-ras. Daarbij stond het bedrijf bij de Kamer van Koophandel als vleesveehouderij geregistreerd. Bovendien waren alle kalveren aan vleesveehouderijen verkocht en geen enkele aan een melkveehouderij.

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven nam daarom aan dat de stierkalveren niet voor de melkveehouderij werden gehouden. De bestemming van stierkalveren is dus doorslaggevend.

    Diercategorie 101: vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar

    In de uitspraak van 25 juni 2019 kiest het College van Beroep voor het bedrijfsleven voor eenzelfde benadering van vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar als bij de hiervoor besproken stierkalveren.

    De bestemming van dit jongvee bepaalt dus of sprake is van melkvee waarvoor fosfaatrechten nodig zijn. Dan gaat het om de bestemming op de peildatum (2 juli 2015). Niet relevant acht het College van Beroep voor het bedrijfsleven of de bestemming later wijzigt. Het vrouwelijk jongvee in diercategorie 101 moet dus voor de melkveehouderij worden gehouden of als opfokkalf voor de vleesveehouderij.

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven legt die subcategorie zo uit dat die dieren bestemd moeten zijn om later te kalven of anders gezegd: gericht op de fokkerij van zoogkoeien. De registratie in diercategorie 101 achtte het College van Beroep voor het bedrijfsleven in beginsel al voldoende.

    Deze benadering wordt door het College van Beroep voor het bedrijfsleven opvallend genuanceerd in een uitspraak van 16 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:289). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven is in dat geval van oordeel dat een correctie dient plaats te vinden, omdat:

    1. Het bedrijf dat het jongvee hield bij de Kamer van Koophandel als vleesveehouderij stond geregistreerd, en
    2. het jongvee naar de slacht werd afgevoerd.

    Een toetsingskader

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven houdt weliswaar vast aan het uitgangspunt dat de bestemming doorslaggevend is, maar laat de inkleuring van die bestemming uiteindelijk aan de feiten over. De Minister wordt dus interpretatieruimte geboden. En dat was voor de Minister aanleiding om een toetsingskader te ontwikkelen om aan de hand daarvan te beoordelen of al dan niet sprake is van melkvee. Het is geen hard kader, meer een afvinklijstje, waarin het gaat om:

    • Registratie I&R;
    • eigen opgave GDI over diercategorieën;
    • informatie Kamer van Koophandel over bedrijfsactiviteit (SBI-codes);
    • bedrijfsinformatie vindbaar op het internet;
    • geen beschikking FRP;
    • bestemming van afgevoerde koeien;
    • ontbreken van aanwijzingen voor melkproductie (geen MPR);
    • ontbreken van aanwijzingen dat een koe gehouden werd met als doel melkproductie, in plaats van melkproductie als bijzaak;
    • aanmelding voor graasdierpremie in de Gecombineerde Opgave (kan alleen voor niet-melkvee);
    • opvallend lage melkproductie van een hoogproductief ras.

    Uiteindelijk lijkt dus niet langer de bestemming op de peildatum doorslaggevend. Het gaat er om wat er daadwerkelijk is gebeurd met het op 2 juli 2015 gehouden jongvee.

    Diercategorie 102: jongvee ouder dan 1 jaar

    In drie uitspraken van 16 april 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (o.a. ECLI:NL:CBB:2019:141) voor het oudere jongvee uitgemaakt hoe het zit.

    De tekst van de wet wordt aangehouden en daarmee valt al het jongvee van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee (met uitzondering van fokstieren en roodvleesstieren) onder melkvee. Dit oordeel geeft nauwelijks interpretatieruimte.

    Daar lijkt de Minister zich echter weinig aan gelegen te laten liggen. In het kader van de herbeoordelingsactie in het najaar van 2019 heeft de Minister voor meerdere bedrijven toch geen fosfaatrechten berekend voor jongvee van deze categorie. Er zou namelijk sprake zijn van vleesvee bestemd voor de slacht. Dat is een standpunt dat overduidelijk niet overeenkomt met de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 april 2019.

    Wat gebeurt er met lopende procedures?

    In een aantal bezwaarprocedures heeft de Minister de intrekking van fosfaatrechten ongedaan gemaakt. In andere procedures is dat gedeeltelijk gebeurd, maar soms ook heeft de Minister de intrekking gehandhaafd. De Minister zal lopende procedures weer moeten oppakken en een beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarin moet gemotiveerd worden ingegaan op de ingediende bezwaren.

    Valt de beslissing op bezwaar negatief uit, dan staat – gedurende 6 weken – beroep op het College van Beroep voor het bedrijfsleven open. Aan de hand van de hiervoor besproken uitspraken kan een goede inschatting worden gemaakt van de kans van slagen in beroep. Is tegen de intrekking van het fosfaatrecht geen bezwaar aangetekend, dan houdt het daarmee op.

    Nieuws over fosfaatrechten

    Bij Hekkelman blijven we het nieuws rondom fosfaatrechten nauwlettend in de gaten houden en daarover publiceren. Meld je daarom aan voor onze nieuwsbrief Agrarische Zaken om op de hoogte gehouden te worden.

    Voor advies ben ik uiteraard altijd bereikbaar via p.goumans@hekkelman.nl.