blog

    Uitspraak rechter: geen goedgekeurd Faunabeheerplan in Gelderland

    Lex Rutten
    Lex Rutten Publicatiedatum: 30 augustus 2021 Laatste update: 30 augustus 2021
    Afbeelding voor Uitspraak rechter: geen goedgekeurd Faunabeheerplan in Gelderland

    Jagend Nederland is in rep en roer door de uitspraak van de rechtbank Gelderland: volgens de berichten van Faunabeheer Gelderland is het door deze uitspraak in Gelderland niet langer mogelijk de diersoorten die op de landelijke vrijstellingslijst staan te doden.

    Klopt deze uitspraak van de rechtbank wel? Is het geen contradictie om een landelijk vrijstelling nog eens provinciaal te laten toetsen?

    De uitspraak en de gevolgen

    De rechtbank oordeelde over het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland om het ‘Faunabeheerplan jacht en uitvoering vrijstelling 2017-2023″ (hierna: ‘het faunabeheerplan’) goed te keuren. De rechtbank overwoog onder andere als volgt:

    (…) 4.4       Dit betekent dat verweerder (lees: de provincie) bij de goedkeuring van het faunabeheerplan moet beoordelen of aan de vrijstellingsvoorwaarden uit de Wnb is voldaan. Een van de voorwaarden om op grond van artikel 3.15 van de Wnb van de in artikel 3:1, eerste lid, en in artikel 3:10, eerste lid, bedoelde soorten vrijstelling te verlenen van het verbod om deze opzettelijk te doden, is dat deze soorten schade veroorzaken. Verder moet onder meer zijn voldaan aan cle voorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing is, de afwijking gerechtvaardigd is op grond van één van de in de betrokken bepalingen genoemde belangen en geen sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding.

    Aan de hand van deze voorwaarden dient verweerder te toetsen of aan de landelijke en provinciale vrijstelling uitvoering kan worden gegeven in het werkgebied van cle Faunabeheereenheid, dat, met uitzondering van Kroondomein Het Loo, de gehele provincie Gelderland omvat.

    4.5.       De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet is beoordeeld dat de in 3.2 van deze uitspraak genoemde soorten in het gehele land, dan wel specifiek in cle provincie Gelderland schade veroorzaken, wat de omvang van deze schade is en dat deze schade niet op andere wijze clan het doden van de soorten kan worden voorkomen. Ook de Omgevingsverordening, het faunabeheerplan of het verweerschrift bevatten zo’n onderbouwing niet. (…)”

    De rechtbank heeft het goedkeuringsbesluit vanwege het motiveringsgebrek vernietigd.

    Door de uitspraak van de Rechtbank Gelderland is er in deze provincie op dit ogenblik geen sprake van een goedgekeurd faunabeheerplan. Het goedkeuringsbesluit is immers vernietigd. Schadebestrijding en beheer moeten op grond van art 3.12 lid 1 Wnb plaats vinden op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan.

    In de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 mei 2016 naar aanleiding van een brief van de voorzitter van de vaste Commissie voor Economische Zaken van 13 april 2016 schrijft hij (pagina 4):

    In het onverhoopte geval dat een faunabeheereenheid geen faunabeheerplan zou vaststellen, is het niet mogelijk om populaties te beheren, schade veroorzakende dieren te bestrijden en de jacht uit te oefenen overeenkomstig het faunabeheerplan. Voor het populatiebeheer zou dit betekenen dat Gedeputeerde Staten aan faunabeheereenheden, wildbeheereenheden, personen of andere samenwerkingsverbanden, opdracht kan verlenen om handelingen te verrichten om de omvang van de stand van een populatie te beperken. Artikel 3.18 voorziet in de bevoegdheid daartoe. Voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder blijven in deze situatie de overige voorgestelde regels van toepassing. De jachthouder dient op zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken (artikel 3.20 derde lid). Grondgebruikers dienen bij de uitoefening van schadebestrijding overeenkomstig de wettelijke eisen en de vrijstellingsvoorwaarden voor schadebestrijding te handelen (artikel 3.15 vijfde en zesde lid). In de Ontwerpregeling Natuurbescherming die ik op 13 mei jl. aan beide Kamers der Staten Generaal heb gezonden, is als voorwaarde opgenomen dat gehandeld wordt overeenkomstig het goedgekeurde faunabeheerplan. Bij het ontbreken daarvan kan worden teruggevallen op de voornoemde opdracht (artikel 3.18 van de Wet).”

    Aangezien schadebestrijding en beheer plaatsvinden op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan (artikel 3.12 lid 1 Wnb) kan er in Gelderland überhaupt geen beheer of schadebestrijding plaatsvinden totdat er weer sprake is van een goedgekeurd faunabeheerplan of een aanwijzing heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.18 Wnb.

    Jacht blijft dus wel mogelijk, omdat daarvoor geen goedgekeurd faunabeheerplan voor nodig is. Dat betekent dat voor zover de jacht in het seizoen geopend is, de 5 soorten, haas, fazant, konijn, houtduif en wilde eend, bejaagd kunnen worden (art. 3.20 derde lid Wnb).

    Heeft de rechtbank een juiste uitspraak gedaan?

    Volgens de letter van de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’) lijkt de Rechtbank een punt te hebben. Handelingen waarvoor vrijstelling is verleend (provinciaal én nationaal) moeten voldoen aan de artikelen 3.2 tot en met 3.4 van de Regeling natuurbescherming (Rnb). Art 3.1 lid vijf Rnb luidt:

    “De vrijstellingen (…) gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen”.

    Artikel 3.2 legt een link met het faunabeheerplan. En in artikel 3.32 Rnb staan de materiële eisen die aan een faunabeheerplan worden gesteld.

    Wordt de letterlijke tekst gevolgd, hetgeen de rechter kennelijk heeft gedaan, dan zouden de daar genoemde criteria voor het faunabeheerplan (o.a. onderbouwing noodzaak voor het doden van dieren in het kader van schadebestrijding of beheer) ook voor de landelijke vrijstelling gelden. Dus naar de letter uitgelegd lijkt de uitspraak van de rechtbank Gelderland te kloppen.

    Maar het voelt vreemd dat een landelijke vrijstelling ook nog eens provinciaal getoetst zou moeten worden. Op grond van de art. 3.15, 3.16, 3.17 en 3.18 in samenhang met de art. 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb is het bevoegd gezag namelijk verplicht bij het verlenen van een vrijstelling te toetsen of er een andere bevredigende oplossing buiten het doden om bestaat. Bij de landelijke vrijstelling moet deze toetsing dus al hebben plaatsgevonden en is een provinciale toetsing op dit onderdeel overbodig (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 33 348, nr. 190, p 11.)

    Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het geenszins de bedoeling van de wetgever is geweest dat de landelijke vrijstelling provinciaal getoetst zou worden in een faunabeheerplan.

    Uit de Nota van Toelichting bij de Rnb waarin wordt ingegaan op de systematiek blijkt dat de wetgever het oude systeem (artikel 1 van de Regeling beheer en schadebestrijding dieren) wilde continueren en dat betekent geen provinciale toetsing (Staatscourant 2016 nr. 55791, p. 76 en 78).

    En in de memorie van toelichting bij de Wnb schrijft de minister:

    Op grond van de flora- en faunawet is over het algemeen de minister van economische zaken landbouw en innovatie bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen in het kader van schadebestrijding en vrijstelling; gedeputeerde staten zijn enkel bevoegd voor de verlening van ontheffingen en vrijstellingen in het kader van schadebestrijding voor soorten die niet landelijk maar in delen van het land schade verrichten en in het kader van populatiebeheer.”

    (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 348, nr. 3, p. 152).

    Op vragen van de Partij voor de Dieren-fractie heeft de staatssecretaris van Dam geantwoord:

    Landelijke vrijstelling

     In artikel 3.1 van het Ontwerpbesluit worden vijf soorten aangewezen die zogezegd in het hele land schade veroorzaken. Afschot van deze dieren mag daardoor gedurende het gehele jaar overal in Nederland plaatsvinden. Deze landelijke lijst houdt geen rekening met de uiteenlopende omstandigheden in de verschillende leefgebieden in Nederland. De leden van de Partij voor de Dieren fractie willen benadrukken dat dieren nooit altijd en overal schade veroorzaken. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen? Artikel 3.1 met daarin de landelijke vrijstellingslijst dient te worden geschrapt zodat maatwerk mogelijk wordt. Is de Staatssecretaris daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?

    Antwoord Staatssecretaris:

    De soorten die op de landelijke vrijstellingslijst (artikel 3.1 van het Ontwerpbesluit) staan kunnen in het hele land schade veroorzaken. Voorheen waren de betrokken diersoorten ook als zodanig aangewezen in het “Besluit Beheer en Schadebestrijding Dieren” op grond van de toenmalige Flora- en Faunawet. Vastgesteld is dat deze diersoorten nog steeds voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor aanwijzing en dat geen aanleiding bestaat voor uitbreiding van de aanwijzing tot andere diersoorten, zodat de voorheen, in het “Besluit Beheer en Schadebestrijding Dieren” opgenomen lijst ongewijzigd kan worden overgenomen (IB pagina 32).

    (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 33 348, nr. 190, p. 32).

    Op vragen van de Partij voor de Dieren fractie over de controle op faunabeheer- plannen heeft de Staatssecretaris geantwoord:

    …….. de toetsing van een faunabeheerplan door een rechter geschiedt op verschillende wijze, al naar gelang het onderdeel. Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op populatiebeheer geschiedt toetsing via de ontheffing voor populatiebeheer of de opdracht tot populatiebeheer. Het goedkeuringsbesluit is dan te beschouwen als een voorbereidend besluit, waar op grond van artikel 6:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht geen zelfstandig bezwaar en beroep tegen mogelijk is. Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op schadebestrijding door grondgebruikers of de uitoefening van de jacht, is het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten te beschouwen als een zelfstandig besluit, waar op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht bezwaar en beroep tegen openstaat.”

    (Eerste Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 33 348, D, p. 48).

    Naar de geest van de Wet klopt de uitspraak van de rechtbank mijns inziens dus niet. De rechter had zich niet strikt legistisch moeten opstellen. De door de rechter gegeven uitleg mag naar de letter van de wet kloppen, de uitspraak is evident in strijd met de geuite bedoeling van de wetgever.

    Hoe nu verder?

    De provincie Gelderland gaat in beroep bij de Raad van State. Daarnaast zal de provincie geen nieuw besluit nemen zoals door de rechter opgedragen en daar ben ik het volledig mee eens. Bovendien zal een voorlopige voorziening worden gevraagd. Maar wellicht zal Gs van Gelderland ook gebruik gaan maken van de in art 3.18 geboden mogelijkheid buiten een Faunabeheerplan opdracht te verlenen.

    Heb je nog vragen naar aanleiding van deze blog? Neem dan gerust contact met mij op.

    Mag ik je op de hoogte houden?

    Schrijf je in voor onze blog updates

    Afbeelding voor Christiaan Donners