blog

    Veehouderij en Gezondheid Omwonenden; betekenis van de onderzoeksresultaten voor planschadeverzoeken

    Veehouderij en Gezondheid Omwonenden; betekenis van de onderzoeksresultaten voor planschadeverzoeken

    Via mijn eerdere blogs heb ik je geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). Zie bijvoorbeeld mijn meest recente blog van 23 juni 2017. Wat is de betekenis van deze onderzoeksresultaten voor verzoeken om een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (planschade)? Deze vraag stond centraal in de uitspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1712).

    Volgens appellant volgt uit het VGO-onderzoek dat intensieve veehouderijen schadelijk zijn voor de gezondheid van omwonenden. Dit laat zich onmiddellijk vertalen in de waarde van onroerend goed, aldus appellant.

    De Raad van State wijst op haar vaste rechtspraak die inhoudt dat subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming, geen rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade. In de vergelijking tussen het oude en nieuwe planologische regime zijn slechts de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van een bestemming relevant. Dit uitgangspunt geldt tevens voor de vaststelling van een eventuele waardevermindering van een onroerende zaak.

    De Raad van State wijst er vervolgens op dat in het VGO-rapport is geconcludeerd dat geen eenduidig antwoord kan worden gegeven op de vraag of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van omwonenden. Dit betekent dat uit het rapport niet kan worden afgeleid dat het wonen in de buurt van veehouderijen tot gezondheidsschade leidt. Op basis van dit rapport kan daarmee geen objectief te verwachten overlast van de nieuwe bestemming worden aangenomen. Dat de vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade feitelijk van invloed is op de waarde van de woning, is in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade niet van belang, aldus de Raad van State. De angst van toekomstige kopers speelt immers geen rol in de planologische vergelijking en dient evenzeer buiten beschouwing te worden gelaten bij de vaststelling van een eventuele waardevermindering van een onroerende zaak.