blog

    Wet grondgebonden groei melkveehouderij: stand van zaken

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 19 oktober 2016
    Wet grondgebonden groei melkveehouderij: stand van zaken

    In week 43 behandelt de Tweede Kamer het wetsvoorstel grondgebonden groei. Het gaat hier om de wettelijke verankering van wat eerder al in de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij is geregeld. Die AMvB heeft al sedert 1 januari van dit jaar werking. Kort vóór het plenaire debat in de Tweede Kamer ziet staatssecretaris Van Dam nog aanleiding voor een wijziging van het wetsvoorstel. Waarom doet hij dat?

    Voorkomen grondloze groei

    Het wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij is gericht op het versterken van de grondgebondenheid van melkveebedrijven door grondloze groei uit te sluiten. Melkveebedrijven hebben daarom belang bij bedrijfsgrond. Om de aanleg van publieke infrastructuur (kabels, pijpleidingen, wegen, waterwegen en dergelijke) mogelijk te maken is vaak – tijdelijk-  landbouwgrond nodig. Dat past melkveehouders niet. Omdat de fosfaatruimte in zo’n situatie afneemt, komt de melkveehouder voor de keuze te staan om ofwel vervangende grond te verwerven ofwel de fosfaatproductie te verminderen (minder koeien dus). Kortom, extra kosten voor de melkveehouder. En die moeten worden opgebracht door de gebruikers van de infrastructuur of de belastingbetaler. Melkveehouders zijn steeds minder bereid hieraan mee te werken. 

    Ongewenst effect wettelijke regeling

    In de praktijk ontstaat vertraging bij de aanleg en het onderhoud van infrastructurele werken. Dat wordt veroorzaakt door stroef lopende onderhandelingen, omdat melkveehouders hun gronden liever niet afstaan. Om dergelijke vertraging te voorkomen stelt staatssecretaris Van Dam voor om grond die tijdelijk niet kan worden gebruikt in van verband met de aanleg of het onderhoud van infrastructuur toch mee te tellen als landbouwgrond in gebruik bij de melkveehouder. Daarvoor is wel een melding nodig bij de Gemeenschappelijke Data-Inwinning (GDI) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. In die melding moet de omvang worden aangegeven van de tijdelijk uit gebruik genomen grond die toch moet worden meegenomen bij het vaststellen van de fosfaatruimte. In de eigen administratie dient de melkveehouder bewijsstukken te bewaren. 

    Geen private ontwikkelingen

    De hiervoor genoemde uitzondering geldt alleen voor de aanleg van publieke infrastructuur. Het tijdelijk onbeteeld laten van gronden bijvoorbeeld voor de aanleg van een eigen windmolen valt hier niet onder. De aanpassing van het wetsvoorstel dient dus het algemeen belang en laat de doelstelling van de wettelijke regeling ongewijzigd. Wil je meer weten over dit onderwerp lees dan ook mijn blogs van 2 oktober 2015 (Wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij naar de Tweede Kamer) en eerder 1 mei 2015 (AMvB grondgebonden groei in wet vertaald).