blog

    Gerechtshof Den Haag oordeelt Wet verbod pelsdierhouderij rechtsgeldig

    Paul HerderPublicatiedatum: 11 november 2015
    Gerechtshof Den Haag oordeelt Wet verbod pelsdierhouderij rechtsgeldig

    Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. Deze wet verbiedt het houden en doden van pelsdieren. Verschillende pelsdierhouders en de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders (NFE) hebben het wettelijk verbod bij de rechter bestreden. Op 21 mei 2014 stelde de rechtbank Den Haag de wet buiten werking omdat de Staat onrechtmatig handelde door afkondiging van de wettelijke regeling. Kort gezegd stelde de rechtbank dat de Staat de pelsdierhouders niet voldoende had gecompenseerd voor de schade die de pelsdierhouders door het verbod zouden ondervinden. In hoger beroep denkt het gerechtshof Den Haag daar volstrekt anders over.

    Buiten werking gesteld

    De pelsdierhouders voerden bij de rechtbank aan dat de wet voorziet in inmenging in het eigendomsrecht van de pelsdierhouders. De financiële compensatie die wordt geboden is volgens de pelsdierhouders onvoldoende om de inbreuk op het eigendomsrecht te rechtvaardigen. In dat licht is de inbreuk op het eigendom niet proportioneel. Het wettelijk verbod is om die reden onverbindend, aldus de pelsdierhouders. In de wet is een grondslag opgenomen voor flankerende maatregelen op grond waarvan compensatie kan worden geboden. Deze flankerende maatregelen moeten echter nog worden uitgewerkt. De rechtbank was daarom van oordeel dat niet vastgesteld kan worden of de flankerende maatregelen voldoende compensatie zouden bieden voor de inbreuk op het eigendomsrecht van de pelsdierhouders. De rechtbank heeft daarom de wet buiten werking gesteld.

    In hoger beroep

    De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. In de kern gaat het om de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht proportioneel is. Het gerechtshof (arrest van 10 november 2015) laat in haar afwegingen een rol spelen dat het wettelijk verbod al vele jaren voorzienbaar was en de inbreuk beperkt blijft tot het gebruik van fysieke bedrijfsmiddelen.  Daarbij houdt het hof dus rekening met het gegeven dat vanaf 1999 pelsdierhouders een mogelijk verbod hadden kunnen zien aankomen. In 1999 heeft de Tweede Kamer immers een motie aanvaard dat op korte termijn het houden van pelsdieren moet worden verboden. Volgens het hof hadden pelsdierhouders kunnen uitbreiden of omschakelen naar andere sectoren indien zij dit hadden gewild. Het gerechtshof is bovendien van oordeel dat de flankerende maatregelen wel degelijk in de afweging moeten worden betrokken. Dat de precieze uitwerking van de maatregelen nog onbekend is, maakt dat niet anders. Het hof geeft vervolgens aan dat de pelsdierhouders door middel van een overgangsperiode (tot 1 januari 2024) voldoende in de gelegenheid worden gesteld om gedane investeringen terug te verdienen. De inbreuk op het eigendomsrecht is volgens het hof proportioneel. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank.

    Hoe nu verder?

    Met het arrest van het hof Den Haag heeft de Wet verbod pelsdierhouderijen weer werking. Voor bedrijven die ondertussen hebben uitgebreid heeft dit gevolgen. De wet staat dit immers niet toe. Het is voor de pelsdierhouders overigens mogelijk om bij de Hoge Raad cassatieberoep in te stellen tegen arrest van het hof. De NFE heeft aangekondigd dit zeker te zullen doen. Deze zaak krijgt dus een vervolg.