blog

    Wetsvoorstel fosfaatrechten melkvee: Europese Commissie vloert Van Dam

    Peter Goumans
    Peter GoumansPublicatiedatum: 14 oktober 2016
    Wetsvoorstel fosfaatrechten melkvee: Europese Commissie vloert Van Dam

    Eerlijk is eerlijk. In de 47 pagina’s tellende Memorie van toelichting op het wetsvoorstel fosfaatrechten melkvee stipt staatssecretaris Van Dam (in paragraaf 7.1.7) aan dat met de invoering van fosfaatrechten van staatssteun sprake is. Hij voegt daar aan toe dat (1) staatssteun onder voorwaarden door de Europese Commissie verenigbaar kan worden verklaard met de interne markt en (2) dat overleg gaande is met de Europese Commissie om de bevestiging te krijgen van het Nederlandse oordeel dat die uitzonderingssituatie aan de orde is. Dit oordeel deelt de Europese Commissie echter niet. De Europese Commissie maakt duidelijk dat er geen sprake is van geoorloofde staatssteun. Een flinke tik op de neus dus voor staatssecretaris Van Dam. En dat dwingt de staatssecretaris tot een acute koerswijziging.

    Staatssteun en voorgestelde oplossingen

    Op 13 oktober heeft staatssecretaris Van Dam de Tweede Kamer geïnformeerd over het standpunt van de Europese Commissie. Dat standpunt maak invoering van het stelsel van fosfaatrechten per 1 januari 2017 zeer risicovol. De staatssecretaris ziet daarvan dus ook af. Hij zoekt naar oplossingen en brengt daartoe wijzigingen aan in het wetsvoorstel fosfaatrechten melkvee. De invoering van fosfaatrechten wordt uitgesteld naar 1 januari 2018. De generieke korting wordt dan meteen doorgevoerd. En pas daarna wordt de handel in fosfaatrechten mogelijk. Hiervoor kiest de staatssecretaris omdat staatssteun niet mag worden verstrekt in gevallen waarin sprake is van overtreding van een EU-norm en ter voorkoming van een inbreukprocedure. Die situatie doet zich nu voor. Dat betekent dat voor 1 januari 2018 de fosfaatproductie weer onder het fosfaatplafond moet worden gebracht. Vervolgens kan dan het stelsel van fosfaatrechten worden ingevoerd. Een tweede belemmering voor de invoering van het stelsel van fosfaatrechten is het vereiste dat staatssteun in de vorm van verhandelbare rechten alleen is toegestaan als daarmee bovenwettelijke doelen (milieunormen) worden nagestreefd. Anders gezegd: Nederland moet meer doen dan borgen dat het productieplafond van 172,9 miljoen kilogram fosfaat niet wordt overschreden. De oplossing voor dit probleem wordt gezocht in de fosfaatbank. Die fosfaatbank wordt gevuld met rechten die bij handelstransacties worden afgeroomd. Dat gebeurt pas nadat de fosfaatproductie weer onder het toegestane plafond is gebracht. Aan uitgifte van deze rechten worden voorwaarden verbonden die er toe strekken dat doelen worden bereikt die verder gaan dan waartoe de Europese milieudoelstellingen verplichten. Ook op dit punt wordt het wetsvoorstel dus aangescherpt. Let wel: de staatssecretaris houdt onverkort vast aan het aan de Tweede Kamer voorgelegde wetsvoorstel, maar brengt slechts in enkele artikelen een wijziging aan. Dat betekent dat de peildatum 2 juli 2015 onverkort blijft gehandhaafd.

    Noodzakelijke reductie fosfaatproductie

    Onverkort zet de staatssecretaris in op behoud van derogatie. Door de invoering van het wetsvoorstel uit te stellen kan in 2017 geen reductie van de fosfaatproductie worden afgedwongen. Een specifiek instrument ontbreekt daarvoor immers. Wettelijk zal die reductie dus per 1 januari 2018 moeten plaatsvinden en volledig moeten worden gerealiseerd door de generieke korting. Die gaat dus veel hoger uitvallen dan de eerder genoemde 4 tot 8%. De staatssecretaris rekent er op dat de melkveehouderijsector hierop anticipeert en de fosfaatproductie in 2017 vrijwillig zal terugbrengen. En juist hier ontstaat een pijnlijke klemsituatie. Het stelsel van fosfaatrechten kan pas worden ingevoerd als de fosfaatproductie weer op het toegestane niveau ligt. Een wettelijk instrument daarvoor ontbreekt. Tegelijkertijd verlangt de Europese Commissie dat Nederland in 2017 een daling van de fosfaatproductie realiseert om aan de derogatievoorwaarden te voldoen. De staatssecretaris kan niet veel meer doen dan een beroep op de sectorpartijen om die daling tot stand te brengen. Daartoe start de staatssecretaris overleg op met die partijen. De staatssecretaris lijkt goede hoop te hebben of een overtuigende daling van de fosfaatproductie. Is hij vergeten dat zelfregulering in dit dossier al een keer faliekant is mislukt? 

    Behandeling op kortst mogelijke termijn

    De behandeling van het wetsvoorstel mag – zo geeft staatssecretaris Van Dam aan – niet op de lange baan geraken. Hij vraagt de Tweede Kamer opnieuw om het – nu gewijzigde – wetsvoorstel op zo kort mogelijke termijn te behandelen. Die behandeling was voorzien in week 43. Maar de Tweede Kamer bepaalt haar eigen agenda. Deze nieuwe ontwikkeling in het juridisch wespennest van de fosfaatregelgeving zou wel eens aanleiding kunnen geven tot een uitgestelde behandeling. Voor de sector is dat echter geen goede zaak. 

    Hoe zit dat nu met staatssteun? 

    De melkveehouderijsector ervaart de invoering van fosfaatrechten zeker niet als staatssteun, maar juist als een beperkende ingreep. In een vervolgblog bespreek ik daarom de achterliggende staatssteunproblematiek. De achtergronden van de actie van de Europese Commissie zullen dan duidelijker worden.