blog

    Wijziging Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 is in werking getreden: beweiden en bemesten voortaan vergunningvrij.

    Wijziging Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 is in werking getreden: beweiden en bemesten voortaan vergunningvrij.

    Op 27 april 2016 is de aangekondigde wijziging van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Op grond van deze wijziging is niet langer een Natuurbeschermingswetvergunning nodig voor het weiden van vee en het gebruik van meststoffen (“het op of in de bodem brengen van meststoffen”) (Stb 2016, 162). In artikel 3a van voornoemd Besluit is hiervoor een uitzondering opgenomen.

    Jurisprudentie: Nbw-vergunning nodig?

    Begin 2015 werd duidelijk dat voor het beweiden en bemesten mogelijk een Natuurbeschermingswetvergunning nodig is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State legde in een uitspraak van 4 februari 2015 uit dat een vergunningplicht voor deze activiteiten niet was uitgesloten. Deze uitspraak deed veel stof opwaaien. Waren vanaf dat moment alle melkveehouders die beweiding toepassen in overtreding? Gevreesd werd voor een stortvloed aan handhavingsverzoeken. Bovendien volgde uit de jurisprudentie (bijvoorbeeld in de uitspraken van de Raad van State van 21 oktober 2015 en recent van 2 maart 2016) dat een Natuurbeschermingswetvergunning voor het houden van vee niet tevens een vergunning inhoudt voor het uitrijden van mest. Zie hiervoor mijn blog “Uitrijden van mest: Natuurbeschermingswetvergunning nodig?” van 23 oktober 2015. Volgens de Raad van State zijn het houden van vee en het uitrijden van mest niet samen één project. Dit zou betekenen dat,  als voor bemesten een vergunningplicht geldt, heel veel veehouders in overtreding zijn. Dit vond de staatssecretaris niet wenselijk. Daarom is een uitzondering op de vergunningplicht voorbereid.

    Is de uitzondering juridisch houdbaar?

    De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 22 februari 2016 haar advies bekendgemaakt over het (toen nog ontwerp-)besluit. De Afdeling advisering van de Raad van State is  zeer kritisch over de uitzondering op de vergunningplicht voor beweiden en bemesten. Volgens de Afdeling advisering zijn zowel beweiden als bemesten waarschijnlijk “een project” in de zin van de wettelijke regeling. In dat geval moet op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn met een passende beoordeling zijn verzekerd dat het project niet zorgt voor significante effecten voor Natura 2000-gebieden. De Afdeling advisering twijfelt of de uitzondering op de vergunningplicht hiermee in overeenstemming is. Ook vraagt de Afdeling advisering zich af hoe de uitzondering op de vergunningplicht zich verhoudt tot de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Er is dus sprake van twee serieuze kritiekpunten.

    In de Nota van Toelichting op het Besluit gaat de staatssecretaris in op deze twee punten.  De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het weiden van vee en het uitrijden van mest geen “projecten” zijn. In dat geval geldt artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet. Bovendien – zo meent de staatssecretaris – zou de uitzondering op de vergunningplicht voor beweiden en bemesten de toets aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn doorstaan. De staatssecretaris licht dit toe aan de hand van de PAS. Uit de gebiedsanalyses, die ten grondslag liggen aan de PAS, blijkt dat een significant effect is uitgesloten. In de gebiedsanalyses zijn de bestaande stikstofemissies en –deposities als gevolg van beweiden en bemesten in 2014 betrokken.  De stikstof is berekend tot op perceelsniveau (rekening houdend met locatie, grondsoort, gewas, bijbehorende maximale gebruiksnorm en toegestane gebruikstechnieken), op basis van het Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven (GIAB) en het Landelijk grondgebruiksbestand Nederland (2014). Naar de toekomst toe wordt evenmin een significant effect verwacht. De stikstofemissie ten gevolge van beweiden en bemesten zal waarschijnlijk gaan dalen (bijvoorbeeld gelet op de afname van landbouwareaal en een verdere aanscherping van de normen voor de aanwending van meststoffen).

    Verder geeft de staatssecretaris aan dat de berekende stikstof als gevolg van beweiden en bemesten in 2014 onderdeel uitmaakt van de depositieruimte van de PAS voor activiteiten waarvoor geen vergunning nodig is. Deze depositieruimte is bestemd voor de voortzetting en de autonome ontwikkeling van bestaande activiteiten (zoals beweiden en bemesten). Anders gezegd: in de PAS is rekening gehouden met de stikstofemissie vanwege beweiden en bemesten. Op deze manier strookt de PAS met de uitzondering op de vergunningplicht die nu wordt geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.

    Procedures

    Om maximale rechtszekerheid te krijgen zouden veehouders een aanvraag kunnen indienen voor een Natuurbeschermingswetvergunning voor het weiden van vee en/of het uitrijden van mest. Dan volgt natuurlijk een weigering.  Daartegen staan rechtsbeschermingsmogelijkheden open.  De houdbaarheid van de nieuwe regelgeving kan dan aan de kaak worden gesteld. De rechter zal dan de rechtmatigheid van de vrijstelling moeten toetsen.

    Meer voor de hand ligt echter dat handhavingsprocedures zullen volgen. De provincies zullen dergelijke verzoeken afwijzen. In beroepsprocedures tegen dergelijke besluiten zal de houdbaarheid van de nieuwe regelgeving door de rechter worden beoordeeld. Naar verwachting zullen dergelijke procedures niet lang op zich laten wachten.