blog

    Huwelijkse voorwaarden beschermen niet altijd bij faillissement

    Helmy Schellens
    Helmy SchellensPublicatiedatum: 21 oktober 2014

    Een belangrijke reden voor het opstellen van huwelijkse voorwaarden is de bescherming van de niet-ondernemende echtgenoot bij faillissement. Veel echtparen en geregistreerd partners stellen huwelijkse voorwaarden op om te voorkomen dat het vermogen van de niet-ondernemende partner in het geval van faillissement van de ondernemer, in de failliete boedel valt. Deze bescherming valt in de praktijk echter tegen. Uit vaste jurisprudentie bij artikel 61 Faillissementswet blijkt dat de curator zelfs de echtelijke woning die eigendom is van de niet-ondernemende partner kan opeisen. Een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is een lichtpuntje voor de niet-ondernemer.

    Juridische grondslag

    De belangrijke wetsartikelen zijn artikel 61 Fw en 1:95 BW. Artikel 61 lid 4 Fw bepaalt dat goederen, verkregen met privé gelden van de niet-ondernemende echtgenoot, door die echtgenoot kunnen worden teruggenomen mits deze financiering door voldoende bescheiden wordt bewezen.

    Alleen als bewezen wordt dat (1) de goederen door de niet-ondernemende echtgenoot in eigendom zijn verkregen, en (2) voor meer dan de helft met eigen middelen zijn gefinancierd, kunnen zij door de echtgenoot worden teruggenomen. Uit de jurisprudentie blijkt dat in het geval van een financiering met geleend geld alleen de niet-ondernemende echtgenoot aansprakelijk moet zijn voor deze lening en uit eigen middelen de rente en aflossing moet hebben betaald (zie oa. Hof ’s-Hertogenbosch 11 januari 2011, LJN: BU6470 en Rechtbank Zwolle 2 november 2011, LJN: BV2324).

    Dit te leveren bewijs is dus zwaar en lukt vaak niet. Het huis staat dan wel op naam van de niet ondernemende echtgenoot, maar meestal zijn beide echtgenoten gezamenlijk aansprakelijk en wordt de rente en/of aflossing van een gezamenlijk gevoede rekening betaald. In dat geval valt het huis toch in de failliete boedel.

    Arrest Hof ’s-Hertogenbosch 12 augustus 2014

    Dat was ook het geval in de casus waarover het Hof in Den Bosch in augustus 2014 moest oordelen. De casus in dit arrest (nr. HD 200.115.290/01) is als volgt: Man en vrouw zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. In de huwelijkse voorwaarden is tevens bepaald dat de kosten van de huishouding door beide echtgenoten naar evenredigheid van hun inkomen worden voldaan en dat de echtgenoot die meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel, het recht heeft het te veel bijgedragene terug te vorderen. De vrouw vond dat de man minder had bijgedragen dan waartoe hij verplicht was. De man is ondernemer en de echtelijke woning en auto zijn op naam gezet van de vrouw. De koopprijs van de woning is deels (maar voor minder dan 50%) gefinancierd met eigen vermogen van de vrouw en deels met een hypothecaire geldlening, die op naam staat van de man. De betaling van de maandelijkse hypotheeklasten wordt gedaan van de gezamenlijke rekening. De (onderneming van de) man gaat failliet en de vraag is of de woning buiten het faillissement kan blijven.

    De vrouw kon niet bewijzen dat zij de woning en auto voor meer dan 50% met eigen geld had gefinancierd. Dat zij de rente en onderhoudskosten van eigen geld had betaald vond het Hof niet relevant. Het gaat om de koopprijs.

    Toch liep het voor de vrouw minder slecht af omdat zij twee vorderingen had op de curator.

    • De eerste vordering betrof de vordering op grond van artikel 61 lid 4 Fw. Nu door de curator goederen van de vrouw worden opgeëist, kan zij voor het met eigen geld geïnvesteerde deel een vergoeding verlangen van de boedel.
    • De tweede vordering zag op de afrekening van de kosten van de huishouding, die voortvloeien uit de huwelijkse voorwaarden van partijen. De vrouw kon het door de man te weinig gedragen deel van de curator vorderen.

    De vrouw kon voldoening van beide vorderingen afdwingen door gebruik te maken van haar retentierecht en met een beroep hierop kon zij haar verplichting om het huis en de auto af te geven aan de curator opschorten totdat haar tegenvorderingen zijn voldaan. Dat de vrouw haar vordering op grond van de huwelijkse voorwaarden van partijen mag tegenwerpen aan de curator, is nieuw ten opzichte van eerdere jurisprudentie en is een lichtpuntje dat mogelijk vaker kan leiden tot een iets bevredigendere uitkomst.

    Wetsvoorstel

    De hierboven geschetste problematiek wordt in de praktijk als onrechtvaardig ervaren. Dit onderwerp heeft dan ook de aandacht van de wetgever. In juli 2014 is een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat beoogt de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken en tevens is het voorstel om de bewijsregels omtrent het terugneemrecht van de echtgenoot van een failliet te verlichten en zo de niet-ondernemer beter te beschermen.

    Het wetsvoorstel moet nog beoordeeld worden door de Tweede- en Eerste Kamer en het is dus onzeker of het voorstel inderdaad wet wordt. Kanttekening is ook dat de nieuwe regels waarschijnlijk enkel gelden voor nieuwe huwelijken. Daarnaast zal in de praktijk en jurisprudentie moeten blijken wat het effect van de wetswijziging is en of de nieuwe bewijsregels inderdaad nuttig en minder zwaar zijn, zodat zij een betere bescherming voor de niet-ondernemende echtgenoot bieden.

    Conclusie

    Het retentierecht kan enige bescherming bieden bij faillissement. Daarvoor is dan wel nodig dat de niet-ondernemer een vordering heeft op de curator. Die vordering is er als er aantoonbaar eigen geld is geïnvesteerd in het goed en/of als de niet-ondernemer op grond van de huwelijkse voorwaarden kan aantonen dat zij meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan waartoe zij verplicht was. Een nieuw wetsvoorstel beoogt de strenge bewijsregels te versoepelen en hierdoor de echtgenoot van de ondernemer beter te beschermen tegen het faillissement.

    TIPS

    Het opvolgen van de hierna vermelde tips kan (een deel van de) problemen voorkomen.

    • Weet dat huwelijkse voorwaarden niet altijd beschermen bij faillissement, en wijs cliënten hierop.
    • Zorg (indien mogelijk) dat de niet-ondernemer het huis alleen en uit eigen inkomen financiert.
    • Schenk aandacht aan de regeling van de kosten van de huishouding in de huwelijkse voorwaarden.
    • Zorg dat cliënten zich voor het huwelijk laten informeren over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Cliënten die al gehuwd zijn, kunnen   laten checken of hun huwelijkse voorwaarden nog up-to-date zijn.