blog

    Pandhouder die een faillissement aanvraagt? Het kan!

    Pandhouder die een faillissement aanvraagt? Het kan!

    Artikel 1 van de Faillissementswet bepaalt dat een faillissement wordt uitgesproken op eigen aangifte of op verzoek van een schuldeiser. In een arrest van vandaag heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze bevoegdheid ook aan een pandhouder toekomt. 

    Faillissementsaanvraag door pandhouder

    Diamond Invest verhuurde een bedrijfsruimte aan De Veenbloem. Op grond hiervan had zij een bedrag van € 11.000 van De Veenbloem te vorderen. Deze vordering van Diamond Invest op De Veenbloem was door Diamond Invest verpand aan Megalim. Aangezien Diamond Invest niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed, maakte Megalim het pandrecht openbaar en vorderde Megalim betaling door De Veenbloem van het bedrag van € 11.000. Nadat ook De Veenbloem niet betaalde, vroeg Megalim het faillissement van De Veenbloem aan. 

    De rechtbank en het gerechtshof wezen het faillissementsverzoek af. Zij waren van mening dat Megalim, als pandhouder, de vordering van Diamond Invest op De Veenbloem wél mocht incasseren maar dat Megalim als pandhouder niet de bevoegdheid toe komt om het faillissement aan te vragen. Megalim is immers geen schuldeiser van De Veenbloem. 

    De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Volgens de Hoge Raad omvat de wettelijke inningsbevoegdheid van de pandhouder tevens de mogelijkheid om het faillissement van de schuldenaar aan te vragen als deze niet aan de pandhouder betaalt. Ook de faillissementsaanvraag strekt namelijk tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. 

    Bevoegdheden pandhouder verder uitgelegd

    De Hoge Raad geeft met dit arrest een verdere uitleg aan de bevoegdheden van een pandhouder. Eerder had de Hoge Raad al bepaald dat de bevoegdheid om aan de (verpande) vordering verbonden zekerheidsrechten uit te winnen ook aan de pandhouder toekomt. 

    Andere bevoegdheden komen dan weer niet aan de pandhouder toe. Dit betreft onder andere de bevoegdheid tot kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en de bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortvloeit. Deze bevoegdheden blijven bij de schuldeiser rusten en hier kan de pandhouder geen gebruik van maken, zoals de Hoge Raad eerder bepaalde.