blog

    Verzekerd en alles geregeld…of toch niet?

    Verzekerd en alles geregeld…of toch niet?

    De verzekering

    Overlijdensrisicoverzekeringen (ovr) treft men aan in een aantal verschillende verschijningsvormen:
    als onderdeel van de hypotheek (‘de bank vroeg er om’), als deel uitmakende van de levensverzekering (een deel spaar- en een deel risicopremie), opgenomen in de reisverzekering, autoverzekering (ongevallen inzittenden verzekering), de compagnonsverzekering of de aan de persoonlijke lening gekoppelde verzekering en ga zo maar door.

    Anders dan sommige andere financiële producten lijkt de ovr een duidelijke verzekering.
    Een beetje overlijden zoals ‘een beetje arbeidsongeschikt’ bestaat niet, dus als de verzekerde persoon (het ‘verzekerd lijf’) overlijdt komt de polis tot uitkering ten behoeve van de begunstigde. Net als bij alle andere verzekeringen is het natuurlijk wel een voorwaarde dat het aanvraagformulier naar waarheid is ingevuld en dat er geen ‘eigen schuld’ aanwezig is geweest bij de begunstigde. je kunt je er wellicht wat bij voorstellen.

    In deze blog enkele punten van aandacht waar je wellicht niet aan zou denken bij het afsluiten van de ovr.

    Uitkering ovr komt niet perse bij de erfgenamen terecht

    De ovr heeft een zogenaamd ‘zelfstandig recht op uitkering’ tot gevolg voor de begunstigde. Het recht op uitkering valt dus niet perse in de nalatenschap, tenzij dit met zoveel woorden is bepaald in de polis (in de begunstiging). Meestal is ‘de partner’ als begunstigde aangewezen (let op dat duidelijk is wie dat is, vooral bij samenwoners: is er een samenlevingsovereenkomst voor nodig of alleen een gemeenschappelijke inschrijving bij de gemeente?), de kinderen, of bij naam genoemde personen.
    De begunstiging van de ovr wordt in de polis geregeld en in beginsel niet in het testament van het verzekerd lijf.
    Het is wellicht een open deur, maar zorg dat duidelijk is wie de begunstigde is en bedenk van tijd tot tijd of dat nog steeds de bedoeling is. Bijvoorbeeld bij verbreking van een relatie wordt lang niet altijd ook de polis van een ovr aangepast.

    Verpanding aan de bank (hypotheek)

    Banken willen bij het verstrekken van hypothecaire financieringen vaak meer zekerheid dan alleen het recht om de woning te kunnen verkopen op een veiling (‘recht van parate executie’). Vaak wordt aanvullende zekerheid gevraagd in de vorm van het ‘verpanden’ van de rechten uit de ovr aan de bank. In afwijking van de oorspronkelijke begunstigde wijst de bank zichzelf dan meestal aan als begunstigde. Dat lijkt logisch, omdat de bank de ovr ook als voorwaarde stelde voor de hypotheek, maar bedenk wat de gevolgen kunnen zijn.

    Begin dit jaar besliste het Hof Den Haag* (Hof Den Haag 23 februari 2016, nr 200.154.759/01 (GHDHA:2016:879) kort gezegd als volgt:
    man en vrouw waren samenwonend, de vrouw was eigenaar van de woning waarin zij samenwoonden en de man had het leven van de vrouw verzekerd. De rechten uit deze ovr waren verpand aan de bank en de bank had zichzelf aanwezen als eerste begunstigde in plaats van (oorspronkelijk) de man. De man was premieplichtige voor de premies ovr (fiscaal goed geregeld), maar dus niet (meer) de eerste begunstigde. De vrouw overlijdt, de bank krijgt haar geld en…de man: niets (civielrechtelijk dus slecht geregeld). In dit specifieke geval hadden man en vrouw alleen een samenlevingsovereenkomst, maar geen testament. De familie van de vrouw erft op grond van de wet dus de woning zonder hypotheek (deze was immers afgelost met de ovr) en de man erft niets. Zelfs de door hem betaalde premies ovr krijgt hij niet terug. Volgens de samenlevingsovereenkomst kwamen deze premies voor zijn rekening.
    Een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden dus, waarbij niet goed is gelet op de begunstiging én niet goed was nagedacht over een testament.

    Kinderen als begunstigde; denk aan bewind

    Nog een opmerking over een ovr die als doel heeft de kinderen verzorgd achterlaten. Omdat het nogal eens voorkomt dat men meer ‘waard is’ na overlijden dan tijdens leven, ofwel: de uitkering uit de ovr is hoger dan de saldi op de bank en de (over)waarde van de woning, is het goed om te bedenken dat (zoals aan het begin al gemeld) de uitkering uit de ovr een zelfstandig recht is wat in beginsel niet onder de werking valt van het testament. Cliënten met jonge kinderen maken dan bijvoorbeeld een testament op waarin ze een voogd aanwijzen (tot 18 jaar voor opvoeding) én een bewindvoerder (om op de nalatenschap te passen tot bijvoorbeeld 21 jaar), maar vergeten nogal eens dat er door hun overlijden nog een veel groter bedrag vrijkomt uit de ovr. De wet heeft hier een eenvoudige oplossing voor in artikel 7:966 lid 1 onder b BW: door een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar kan men het recht op uitkering onder bewind te stellen. Een eenvoudig bericht aan de verzekeraar met het polisnummer, de bewindvoerder en de melding tot welke leeftijd dat bewind moet gelden volstaat dus.

    Meer aandachtspunten

    Op het eerste gezicht lijkt de ovr niet een typisch onderwerp voor de (kandidaat-)notaris om in mee te denken. Alleen al uit het voorgaande blijkt naar ik hoop het tegendeel. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de situaties met stiefkinderen, tweede huwelijken, niet gelijkluidende wensen als het gaat om de benoeming van erfgenamen, onterving van kinderen en daarmee samenhangende legitieme porties.
    In een van mijn volgende bijdragen kom ik graag nog eens terug op dit onderwerp.