blog

    Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet: derde nota van wijziging

    Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet: derde nota van wijziging

    Minister Ollongren heeft de derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin zijn enkele beperkte aanpassingen met het oog op een goede uitvoering van de regels van de Omgevingswet opgenomen. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de strekking van het wetsvoorstel of de beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag.

    Wijziging mede handhavingstaak Omgevingswet

    In de nota van wijziging is voorzien in een inhoudelijke aanpassing met betrekking tot de voorgestelde aanpassing van artikel 18.3 van de Omgevingswet. De aanpassing  voorziet in de toekenning van een mede-handhavingstaak aan het orgaan dat op grond van artikel 16.16 van de Omgevingswet een instemmingsrecht heeft bij vergunningverlening. Daarnaast voorziet de aanpassing in een grondslag om ook in andere gevallen de mede-handhavingstaak toe te delen aan een ander bestuursorgaan dan het bevoegd gezag.

    Artikel 18.3 van de Omgevingswet wordt in zijn geheel geherformuleerd, zo volgt uit het wetsvoorstel.

    Verder wordt het opschrift van het artikel ‘bestuursdwangbevoegdheid instemmingsorgaan’ vervangen door ‘toedeling mede-handhavingstaak’. Hiermee wordt het opschrift van artikel 18.3 in lijn gebracht met het opschrift van artikel 18.2. Hiermee zou de onderlinge verhouding tussen beide artikelen worden verduidelijkt.

    Artikel 18.3 biedt al de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur gevallen aan te wijzen waarin het bestuursorgaan dat een instemmingsrecht heeft bij vergunningverlening, bevoegd is om naast het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning handhavend op te treden.

    Eén bestuursorgaan bevoegd voor vergunningverlening en handhaving

    Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat één bestuursorgaan bevoegd is voor zowel vergunningverlening als handhaving. Bij de totstandkoming van artikel 18.3 is al onderkend dat er uitzonderingsgevallen kunnen zijn waarin het een duidelijke meerwaarde heeft als het instemmingsorgaan voor de omgevingsvergunning een mede-handhavingstaak krijgt naast het bevoegd gezag voor de vergunning.

    In aanvulling op de memorie van toelichting bij artikel 18.3 van de Omgevingswet en bij de wijziging van dat artikel in het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet wordt daarover opgemerkt dat het vooral gaat om gevallen waarin het instemmingsorgaan beheerder is van een gebied of infrastructureel werk (bijvoorbeeld een Natura 2000-gebied of waterstaatswerk) waar ter bescherming van de daar aanwezige natuur of infrastructuur bijzondere eisen gelden. Ter zake van die eisen heeft dat bestuursorgaan eigen toezichts- en handhavingsbevoegdheden. Juist bij de uitoefening van die bevoegdheden kan een overtreding worden geconstateerd van de voorschriften die wegens die eisen aan de omgevingsvergunning zijn verbonden.

    De mogelijkheid om een mede-handhavingstaak toe te delen aan een ander bestuursorgaan blijkt in een (beperkt) aantal andere gevallen ook wenselijk te zijn. Het gaat daarbij om soortgelijke situaties als bedoeld in het eerste lid van artikel 19.3 Omgevingswet. Te weten een bestuursorgaan, niet zijnde een instemmingsorgaan, met eigen toezichts- en handhavingsbevoegdheden ter zake van eisen die zelfstandig onderwerp kunnen zijn van handhaving maar ook onderdeel van een meer omvattende regel of besluit waarvoor aan een ander bestuursorgaan de handhavingstaak is toegedeeld.

    Daarom is voorgesteld om het artikel aan te vullen met een tweede lid dat de grondslag bevat om bij algemene maatregel van bestuur ook in andere gevallen dan het eerste lid de mede-handhavingstaak toe te delen. Gelet op het uitgangspunt van één (handhavings)bevoegd gezag wordt voor de toepassing van het tweede lid uitgegaan van het restrictieve criterium “met het oog op een doelmatige uitoefening van de bestuursrechtelijke handhavingstaak”.

    Rechthebbende en gedoogplicht

    Voorts wordt in de voorgestelde artikelen 10.10a tot en met 10.10e van de Omgevingswet wat betreft het begrip ‘rechthebbende’ de verwijzing naar het voorgestelde artikel 12.1 van de Omgevingswet geschrapt. Door de verwijzing naar artikel 12.1 zou voor gebruiksgerechtigden, zoals bijvoorbeeld pachters, geen gedoogplicht op grond van die artikelen gelden. Hiermee zou het wetsvoorstel afwijken van de Wet inrichting landelijk gebied op grond waarvan gedoogplichten ook voor gebruiksgerechtigden van een onroerende zaak kunnen gelden. Aangezien het nooit de bedoeling is geweest gebruiksgerechtigden voor de gedoogplichten uit te zonderen, wordt de verwijzing naar het voorgestelde artikel 12.1 van de Omgevingswet geschrapt. In de voorgestelde artikelen 10.10a tot en met 10.10e van de Omgevingswet is als gevolg hiervan de definitie van ‘rechthebbende’ in artikel 10.1 van de Omgevingswet van toepassing.

    Verbeteringen en beperkte wijzigingen Omgevingswet

    Verder bevat de nota van wijziging enkele kleine reparaties van de wetsvoorstellen Aanvullingswet geluid Omgevingswet, Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingswet natuur Omgevingswet (artikel 2.0, 2.0a en 2.0b van het wetsvoorstel) en van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (artikel 2.4a van het wetsvoorstel). Deze wetsvoorstellen zijn op dit moment bij de Eerste Kamer aanhangig.

    Daarnaast zijn een aantal beperkte wijzigingen van de Omgevingswet meegenomen. De meeste hiervan houden verband met de inwerkingtreding van een nieuwe Europese verordening die in de plaats is gekomen van een verordening over monitoringsmechanismen waarnaar in artikel 20.4 van de Omgevingswet wordt verwezen (zie naast de wijzigingen in artikel 20.4 en in bijlage, onder B, van de Omgevingswet en de wijziging van artikel 4a.3 van het wetsvoorstel).

    Het wetsvoorstel en de aanbiedingsbrief van 2 september 2019 zijn hier te raadplegen.

    Meer informatie? Neem contact op met Chantal van Mil of Marie-Anna Bullens.