blog

    Beëindiging duurovereenkomst kabels en leidingen in verband met publiekrechtelijke regeling

    Anne van Wijk-Driessen
    Anne van Wijk-DriessenPublicatiedatum: 26 januari 2016

    Inleiding

    Op 13 januari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:168) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een vonnis gewezen waarin de vraag centraal stond of een viertal gemeenten de bestaande (duur)overeenkomsten met het drinkwaterbedrijf, Brabant Water, rechtsgeldig heeft opgezegd en heeft vervangen door een publiekrechtelijke regeling. In het vonnis gaat de rechtbank, mede aan de hand van het arrest De Ronde Venen/SNU en Stedin (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854), na of er een zwaarwegende grond tot opzegging is vereist, of de gemeenten gehouden zijn om een schadevergoeding aan Brabant Water te voldoen en of de opzegging in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is.

    Relevante feiten

    • Brabant Water levert drinkwater aan particulieren en bedrijven in de provincie Noord-Brabant;
    • in de periode van 1947 tot en met 1956 hebben de gemeenten met Brabant Water privaatrechtelijke overeenkomsten gesloten op grond waarvan Brabant Water – kort gezegd – leidingen mag leggen, hebben en onderhouden in gemeentegrond;
    • in 2010 zijn de gemeenten gestart met het actualiseren en uniformeren van het beleid met betrekking tot ondergrondse kabels en leidingen en met het opstellen van een verordening;
    • in 2011 en 2012 hebben de gemeenten hun plannen ter advisering voorgelegd aan onder meer Brabant Water;
    • op 26 september 2013 is de publiekrechtelijke regeling, bestaande uit de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (hierna: “de AVOI”) en de Beleidsregels Nadeelcompensatie bij het verleggen van kabels en leidingen (hierna “de Beleidsregels”), in werking getreden;
    • de AVOI bevat regels over het verrichten van werkzaamheden aan kabels en leidingen in, op, of boven gemeentegrond;
    • volgens de Beleidsregels kent de gemeente, indien een netbeheerder als gevolg van de verlegging van een kabel of leiding schade lijdt, aan de netbeheerder een vergoeding toe. Voor het verleggen van een kabel of leiding die minder dan vijf jaar geleden is gelegd, ontvangt de netbeheerder een volledige vergoeding. Naarmate de leiding of kabel langer ligt, wordt de toe te kennen vergoeding procentueel lager. Voor een kabel of leiding die meer dan vijftien jaar ligt, wordt geen vergoeding toegekend;
    • de gemeenten hebben de privaatrechtelijke overeenkomsten bij brief van 29 november 2013 opgezegd tegen 1 juli 2014.

    Uitgangspunten

    De rechtbank formuleert een aantal uitgangspunten, aan de hand waarvan zij het geschil zal beoordelen en beslechten.

    • Brabant Water betwist niet dat de gemeenten bevoegd zijn om te gaan werken met een publiekrechtelijke regeling in plaats van met privaatrechtelijke (duur)overeenkomsten;
    • Brabant Water betwist niet dat de gemeenten bevoegd zijn om de (duur)overeenkomsten op te zeggen;
    • de beoordelingsmaatstaf uit het arrest De Ronde Venen/SNU en Stedin is van toepassing (zie Nieuwsbrief beëindiging duurovereenkomst kabels en leidingen);
    • de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen de gemeenten en Brabant Water wordt mede beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

    Beoordeling

    Geen zwaarwegende grond voor opzegging noodzakelijk

    De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen volgens de rechtbank in het onderhavige geval niet met zich dat de opzegging van de (duur)overeenkomsten gepaard moet gaan met een zwaarwegende opzeggingsgrond. De rechtbank overweegt in dat kader:

    “Dat Brabant Water een nutsbedrijf zonder winstoogmerk is en dat haar aandelen worden gehouden door overheden, is geen reden om Brabant Water een meer beschermde positie te gunnen dan andere bedrijven. Hetzelfde geldt voor de praktische gevolgen die de opzegging meebrengt voor Brabant Water; die zijn niet anders dan voor elke andere onderneming die in meerdere gemeenten actief is. De nadelige gevolgen voor Brabant Water van de opzegging van de algemene vergunningen [lees: privaatrechtelijke overeenkomsten, toevoeging AvW] beperken zich tot de invoering van een vergunningplicht voor elk afzonderlijk graafproject en tot een onder omstandigheden lagere financiële tegemoetkoming of het ontbreken van een financiële tegemoetkoming voor verleggingen die op aanwijzing van de gemeenten plaatsvinden. Daar staat tegenover dat Brabant Water door de gemeenten is betrokken bij het opstellen van de AVOI en de Beleidsregels en dat zij de mogelijkheid tot inspraak heeft gekregen. In de omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de opzegging van de algemene vergunningen gepaard moet gaan met een zwaarwegende opzeggingsgrond.”.


    Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

    De gemeenten hebben ook niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel gehandeld:

    “Wat betreft de formele zorgvuldigheid blijkt uit de gedingstukken genoegzaam dat de opzegging voor Brabant Water niet uit de lucht is komen vallen: de gemeenten hebben in ieder geval sinds 2011 regelmatig met Brabant Water gecommuniceerd over het onderwerp van de nieuwe, publiekrechtelijke regeling. (…). De opzegging heeft pas plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de publiekrechtelijke regeling. Verder is de opzegging niet onmiddellijk ingegaan; de gemeenten hebben een opzegtermijn in acht genomen. Daarmee hebben de gemeenten procedureel zorgvuldig gehandeld.

    Wat betreft de materiële zorgvuldigheid blijkt uit de opzeggingsbrief dat de gemeenten hun beleid met betrekking tot ondergrondse netwerken van leidingen en kabels wilden actualiseren en uniformeren. Sinds de inwerkingtreding van die nieuwe regeling is dat een relevant argument voor opzegging van de oude regeling.”.

    De wens van de gemeenten om te komen tot een actualisering en uniformering van het beleid ten aanzien van ondergrondse netwerken is, volgens de rechtbank, een genoegzame motivering van de opzegging.


    Geen te korte opzegtermijn

    De door de gemeenten in acht genomen opzegtermijn van iets meer dan 7 maanden is ook niet te kort. De rechtbank legt aan dit oordeel ten grondslag dat Brabant Water vanaf 2011 had kunnen voorzien dat de (duur)overeenkomsten zouden worden opgezegd en dat zij ook door de gemeenten op de hoogte was gebracht van de beoogde beperking van de verlegkostenregeling.


    Geen schadevergoeding

    De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen niet met zich dat de opzegging gepaard moest gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Brabant Water heeft niet aangetoond dat zij daadwerkelijk nadelige gevolgen ondervindt van de opzegging en ook is niet gebleken dat die gevolgen onredelijk zwaar zijn in verhouding tot de belangen van de gemeenten bij de opzegging.

    Conclusie

    Gemeenten kunnen dus een publiekrechtelijke verordening vaststellen en de bestaande duurovereenkomsten met kabel- en leidingexploitanten (in beginsel) beëindigen. Communicatie is bij een dergelijk project het sleutelwoord.