blog

    Bestaande brancheringsregeling in strijd met Dienstenrichtlijn?

    Marie-Anna Bullens
    Marie-Anna BullensPublicatiedatum: 24 januari 2019Laatste update: 4 april 2019
    Bestaande brancheringsregeling in strijd met Dienstenrichtlijn?

    Op 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3471) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) zich uitgesproken over de Dienstenrichtlijn in het kader van een omgevingsvergunning voor een project in strijd met het bestemmingsplan.

    De casus

    In de uitspraak staat een geweigerde omgevingsvergunning voor een fietsenwinkel centraal. De fietsenwinkel had deze omgevingsvergunning nodig omdat het perceel waarop de fietsenwinkel zou worden gevestigd, in het bestemmingsplan bestemd is als ‘Gemengd – Grootschalig’ met de functieaanduiding ‘Detailhandel – Perifeer’. Met deze brancheringsregeling in het bestemmingsplan is beoogd op de locatie slechts grootschalige detailhandelsvestigingen toe te staan. De planregels vereisten een minimum vloeroppervlak van 1000 m2. De voorziene winkel voorzag in een vloeroppervlak van 640 m2. De winkel voldeed daarmee niet aan de in het bestemmingsplan vastgelegde oppervlakte-eis. In eerste instantie wordt de omgevingsvergunning verleend, maar in de bezwaarfase besluit het college de omgevingsvergunning alsnog te weigeren. In hoger beroep betoogt de fietsenwinkel dat de brancheringsregeling met betrekking tot de bestemming ‘Gemengd – Grootschalig’ uit het (onherroepelijke) bestemmingsplan in strijd is met de Europese Dienstenrichtlijn. Om die reden moest, zo stelde de fietsenwinkel, de oppervlakte-eis uit het bestemmingsplan onverbindend worden verklaard. De fietsenwinkel verwees daarbij naar de Appingedam-uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2062). Over de uitspraak Appingedam van 20 juni 2018 en de daaraan voorafgaande beantwoording van prejudiciële vragen schreven mijn collega’s Luuk Gerritsen en Tycho Lam de volgende blogs:

    De vraag die in de uitspraak van 24 oktober 2018 centraal staat betreft de vraag of de brancheringsregeling uit het onherroepelijke bestemmingsplan buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn.

    Dienstenrichtlijn (artikel 15, lid 3) en de uitspraak Appingedam

    Op 30 januari 2018 beantwoordde het Hof van Justitie van de Europese Unie (C‑31/16) prejudiciële vragen van de Afdeling in het kader van de zaak Appingedam. Het Hof van Justitie stelde vast dat de Dienstenrichtlijn (ook) van toepassing is op een brancheringsregeling in een bestemmingsplan op grond waarvan detailhandel in niet-volumineuze goederen buiten stadscentra niet is toegestaan. De reden is dat een brancheringsregeling in een bestemmingsplan de toegang tot de uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk stelt van een territoriale beperking. Een dergelijke brancheringsregeling is toegestaan, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn inzake non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid. Deze regels houden, kort samengevat, in:

    1. discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
    2. noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
    3. evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

    Het oordeel van de Afdeling: geen strijd met de Dienstenrichtlijn

    Onder verwijzing naar de Appingedam-uitspraak overweegt de Afdeling, kort samengevat, dat in die zaak een bestuurlijke lus is toegepast en dat de gemeenteraad van Appingedam nader moet motiveren of aan de voorwaarde van evenredigheid uit artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn kan worden voldaan. Anders dan in de Appingedam-uitspraak, staat in de onderhavige zaak geen besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan centraal, maar een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning om van een reeds vastgesteld bestemmingsplan af te wijken. Deze vaststelling heeft gevolgen voor het toe te passen toetsingskader. De Afdeling overweegt namelijk dat in dit soort gevallen de bal in eerste instantie bij appellant ligt om concreet te onderbouwen waarom de in de planregels neergelegde eisen over perifere detailhandel in strijd zijn met de in artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn vastgelegde eisen (discriminatieverbod, noodzakelijkheid en evenredigheid). In de onderhavige zaak heeft appellant slechts aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de in de planregels neergelegde eisen geschikt zijn om het beoogde doel te bewerkstelligen. Daarmee heeft appellant naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende geconcretiseerd waarom de brancheringsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel uit artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn en bestaat geen aanleiding om de planregels onverbindend te verklaren.

    Conclusie

    In de uitspraak van 24 oktober 2018 staat de vraag centraal of een brancheringsregeling uit een onherroepelijk bestemmingsplan buiten toepassing moet blijven, omdat die regeling in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Meer concreet ligt de vraag voor of de brancheringsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel uit artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn. De Afdeling is van oordeel dat in dit geval de brancheringsregeling niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel uit artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn. Volgens de Afdeling moet appellante concretiseren waarom de brancheringsregeling in het concrete geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Heb je vragen naar aanleiding van deze blog? Neem dan contact op met Marie-Anna Bullens.