blog

    De gemeenteraad als verdeelmeester

    Rachid Benhadi
    Rachid BenhadiPublicatiedatum: 2 mei 2016
    De gemeenteraad als verdeelmeester

    Geluidruimte op gezoneerde industrieterreinen is schaars. De gemeenteraad kan door middel van het opnemen van een geluidverkaveling in een bestemmingsplan de schaarse geluidruimte juridisch bindend verdelen over de bedrijfspercelen. Alvorens hier nader op in te gaan, eerst even een korte schets van de achtergronden.

    Industrieterreinen die de vestiging van grote lawaaimakers (dat zijn inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken) toelaten, moeten op grond van de Wet geluidhinder worden gezoneerd. In het bestemmingsplan dient dan een rond het betrokken industrieterrein gelegen zone te worden vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Daarmee verplicht de Wet geluidhinder uitsluitend tot het vastleggen van de buitengrenzen van de geluidzone, de zogenaamde 50 dB(A)-contour. Deze 50 dB(A)-contour moet bij de beslissing omtrent de omgevingsvergunningverlening milieu in acht worden genomen. Vreemd genoeg is in de Wet geluidhinder geen regeling opgenomen voor de wijze waarop de binnen de geluidzone beschikbare geluidruimte moet worden verdeeld over de bedrijvigheid op het industrieterrein. Een regeling hiervoor kan niet gemist worden omdat vergunningverlening op gezoneerde industrieterreinen, in tegenstelling tot niet gezoneerde industrieterreinen, is gebaseerd op de cumulatieve geluidbijdrage van alle aanwezige bedrijven. Geluidruimte die door het ene bedrijf al wordt gebruikt, kan niet meer door een ander bedrijf worden gebruikt. Uit de praktijk zijn voorbeelden bekend waarin een industrieterrein fysiek nog wel ruimte biedt voor (nieuwe) bedrijvigheid, maar waar de geluidruimte reeds is opgesoupeerd door een beperkt aantal inrichtingen. Gevolg hiervan is dat niet optimaal gebruik gemaakt kan worden van de fysiek beschikbare en voor bedrijvigheid bestemde gronden op een industrieterrein.

    Omdat de Wet geluidhinder noch de Wabo een regeling bevat om de geluidruimte op gezoneerde industrieterreinen juridisch bindend te verdelen, hebben verschillende gemeenten de afgelopen jaren geëxperimenteerd met het vastleggen van een geluidruimteverdeling (ook wel geluidverkaveling genoemd) in een bestemmingsplan. Hoewel verschillende varianten van geluidverkaveling denkbaar zijn, hebben alle gehanteerde methoden gemeen dat in de planregels en de verbeelding van het bestemmingsplan aan een bedrijfsperceel een bepaalde geluidruimte werd toebedeeld. Lange tijd was onzeker of de Afdeling een dergelijke plansystematiek aanvaardbaar zou achten omdat (1) de gedachte was dat rechtstreeks bindende milieunormen in beginsel niet thuishoren in het bestemmingsplan en (2) onduidelijk was in hoeverre de Wet geluidhinder en de Wabo ruimte lieten om aanvullend op die wetgeving de geluidruimte via het bestemmingsplan te reguleren.

    Begin 2015 heeft de Afdeling echter de knoop doorgehakt. In haar uitspraken van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:237 en ECLI:NL:RVS:2015:234) heeft de Afdeling beslist dat het mogelijk is een geluidverkaveling in een bestemmingsplan op te nemen. De Afdeling stelt in die uitspraken vast dat de Wet geluidhinder, de Wabo noch het Activiteitenbesluit een regeling kennen om de beschikbare geluidruimte op gezoneerde industrieterreinen te verdelen. Gelet op het feit dat een verdeling van de geluidruimte niet via de relevante milieuwet- en regelgeving geborgd kon worden en een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte op een industrieterrein ruimtelijk relevant is, omdat daarmee een doelmatig grondgebruik wordt bereikt, kan het bestemmingsplan als instrument worden gebruikt om de beschikbare geluidruimte juridisch bindend te verdelen.

    Voor een gedetailleerdere beschouwing van de hiervoor aangehaalde uitspraken verwijs ik naar mijn annotatie (AB 2015/83).