blog

    Directe (!) planschade; normaal maatschappelijk risico terughoudend toepassen

    Directe (!) planschade; normaal maatschappelijk risico terughoudend toepassen

    Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepassing van het normaal maatschappelijk risico bij planschade die het gevolg is van bijvoorbeeld de wijziging van een bestemming van een bepaald perceel – de directe planschade – komen maar zelden voor. In een kwestie die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 17 mei jl. (ECLI:NL:RVS:2017:1293, zie deze link voor de uitspraak) ging het over directe planschade, waarbij in verband met de correctie vanwege het normaal maatschappelijk risico een drempel van 5% van de waarde van de betreffende onroerende zaak werd toegepast. De Afdeling oordeelde dat die drempel te fors was. Voor planschade als gevolg van een planologische wijziging van bijvoorbeeld een naastgelegen perceel – de indirecte planschade – is in artikel 6.2, tweede lid, Wro is een forfaitaire drempel van 2% opgenomen. Voor directe planschade ontbreekt die wettelijke drempel.

    De kwestie

    Vanwege het wegbestemmen van een detailhandelsbestemming heeft een eigenaresse van een winkelcentrum directe planschade geleden. Het college van burgemeesters en wethouders oordeelde – op voorspraak van een planschade-adviseur – dat de planschade die de eigenaresse van het winkelcentrum als gevolg van het wegbestemmen heeft geleden, € 500.000,00 bedraagt. Het normaal maatschappelijk risico heeft het college gesteld op 5% van de waarde van het winkelcentrum. Omdat de waarde van het winkelcentrum voor de planwijziging € 8.000.000,00 bedroeg, dient de eigenaar € 400.000,00 (5% van € 8.000.000,00) zelf te dragen. De planschade die voor tegemoetkoming in aanmerking komt, komt daarmee uit op € 100.000,00.

    Het oordeel van de Afdeling

    Ten aanzien van de hoogte van het percentage overweegt de adviseur haar advies, waarop het besluit van het college is gebaseerd, dat  een wijziging van de ruimtelijke ontwikkeling – gezien de verslechterde marktomstandigheden voor de verhuur van winkelruimte in de periode 2006 – 2012 – in lijn der verwachting lag.

    De Afdeling oordeelt dat de geschetste maatschappelijke ontwikkeling te algemeen is gesteld, waarbij de Afdeling oordeelt dat de voor het winkelcentrum negatieve maatschappelijke ontwikkelingen zich niet verhoudt tot de aftrek van 5%. De Afdeling vervolgt in r.o. 9.2 met: “Deze aftrek is namelijk betrekkelijk hoog voor een geval van directe planschade, zoals hier aan de orde, mede gelet op de omstandigheid dat de wetgever voor directe planschade geen forfaitaire drempel heeft gesteld.”

    Kortom, bij directe planschade moet het normaal maatschappelijk risico terughoudend worden toegepast. Ik vraag me af of dit ook het geval zal zijn, als de ruimtelijke ontwikkeling wel in lijn der verwachting is.

    Voor meer informatie of vragen over dit onderwerp, kun je vrijblijvend contact opnemen. Lees ook eens de andere blogs van Marie-Anna Bullens.