blog

    Eliminatiebeginsel: terughoudend toepassen

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 28 januari 2016

    Met dit artikel vragen wij aandacht voor de volgende vijf arresten van de Hoge Raad van 15 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:24, ECLI:NL:HR:2016:25, ECLI:NL:HR:2016:66, ECLI:NL:HR:2016:67 en ECLI:NL:HR:2016:68), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld over de toepassing van het eliminatiebeginsel als bedoeld in artikel 40c Onteigeningswet (hierna: “Ow”).

    Essentie

    In deze arresten oordeelt de Hoge Raad dat ten aanzien van het “concrete plan”, zoals werd geïntroduceerd in de “9 juli-arresten”, wordt gedoeld op het “plan voor het werk” (van de overheid), waarvoor wordt onteigend. De Hoge Raad geeft de juridische kaders voor de beoordeling welke plannen als ‘concreet plan’ kwalificeren.

    Nader bekeken

    De hoofdregel is dat bestemmingsplannen in beginsel niet kwalificeren als “plan voor het werk” in de zin van artikel 40c Ow en daarmee niet hoeven te worden weggedacht. Naar aanleiding van de “9 juli-arresten”, werd in de literatuur, maar ook in de nadien gewezen rechtspraak, de opvatting gehuldigd dat de Hoge Raad afstand zou hebben gedaan van deze hoofdregel. Sommigen oordeelde dat als het bestemmingsplan slechts een juridisch planologisch kader schept voor een reeds “bestaand concreet plan”,  in dat geval het bestemmingsplan bij de waardebepaling wel dient te worden geëlimineerd. Over de uitleg van wat onder een bestaand concreet plan dient te worden verstaan, liepen de meningen uiteen, maar in de rechtspraak leek zich een lijn te ontwikkelen dat al snel sprake zou zijn van een bestaand concreet plan en dat daarmee ook snel zou worden toegekomen aan de eliminatie van het bestemmingsplan dat voorziet in de planologische regeling voor het werk waarvoor wordt onteigend.

    In de arresten van 15 januari jl. heeft de Hoge Raad de volgende juridische uitgangspunten geformuleerd, die moeten worden gehanteerd bij de afweging of een bestemmingsplan moet worden weggedacht of niet:

    1. Artikel 40c Ow dient terughoudend te worden toegepast (r.o. 3.5 ECLI:NL:HR:2016:25).
    2. De vraag of eliminatie van een door het geldende bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming moet plaatsvinden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eliminatie kan niet in abstracto worden voorgeschreven of uitgesloten in bepaalde categorieën van gevallen (r.o. 3.6.2 ECLI:NL:HR:2016:25).
    3. Voor eliminatie is alleen plaats indien het werk waarvoor wordt onteigend tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van rechtspersonen als bedoeld in artikel 2:1 lid 1 en 2 BW (‘overheidswerken’) (r.o. 3.8.2 ECLI:NL:HR:2016:25).
    4. De omstandigheid dat de overheid voorbereidingswerkzaamheden uitvoert ten behoeve van een werk waarvoor wordt onteigend, brengt nog niet mee dat dit werk als een overheidswerk dient te worden aangemerkt (r.o. 3.8.3 ECLI:NL:HR:2016:25).

    Met de arresten van 15 januari 2016 geeft de Hoge Raad enigszins inzicht in de toepasbaarheid van het eliminatiebeginsel bij bestemmingsplannen, maar het schept geen alles verhelderend kader. In de rechtspraktijk zal dan ook de komende jaren nog zeker verder worden gediscussieerd over het eliminatiebeginsel.