blog

    Exploitatieplanplicht bij het gefaseerd uitvoeren van het bestemmingsplan

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 23 januari 2014

    Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) van 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:70.

    Essentie

    Waar het – voor zover hier van belang – in de uitspraak van de Afdeling van 10 januari jl. om gaat, is dat de Afdeling zich expliciet uitlaat over de verplichting om een exploitatieplan vast te stellen in het geval het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, maar bij het vaststellen van het bestemmingsplan uitdrukkelijk is bepaald dat een gefaseerde uitvoering van het bestemmingsplan nodig, wenselijk is.

    Nader bekeken

    De gemeenteraad van Haren (Groningen) heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan “Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)”, dat voorziet in de realisatie van maximaal 400 woningen, uitdrukkelijk bepaald dat het bestemmingsplan gefaseerd moeten worden uitgevoerd. De uitvoering van die faseringsregeling is opgedragen aan de GEM en het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad heeft daarbij opgemerkt dat de faseringsregeling moet worden opgenomen in de exploitatieopzet van de GEM. Daarnaast heeft de gemeenteraad bepaald dat aanpassing van de fasering mogelijk is door tussenkomst van het college. Het college en de GEM hebben toegezegd om via de exploitatieopzet van de GEM zorg te dragen voor de door de gemeenteraad gewenste fasering. Dit was voor de gemeenteraad voldoende om geen exploitatieplan vast te stellen.

    Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, Wro is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro is voorzien. Deze verplichting geldt niet als – kort gezegd – het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd en het bepalen van een fasering voor de uitvoering van het bestemmingsplan of het stellen van regels niet noodzakelijk is (artikel 6.12, tweede lid, Wro).

    Ten aanzien van het bepalen van een fasering en het stellen van eisen en regels overweegt de Afdeling in rechtsoverweging 27.3 het volgende:

    “De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de keuze om een fasering te bepalen of eisen en regels te stellen, zeker wanneer niet is gebleken dat een exploitatieplan uit een oogpunt van kostenverhaal noodzakelijk is, beleidsvrijheid toekomt.”

    De Afdeling is dus van oordeel dat bij het bepalen van een fasering of het stellen van eisen en regels aan de gemeenteraad beleidsvrijheid toekomt. Als daartoe echter wordt besloten dan moet de fasering of het stellen van eisen en regels wel gewaarborgd zijn. De Afdeling overweegt daartoe in rechtsoverweging 27.5 als volgt:

    “De raad heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat een gefaseerde uitvoering is verzekerd. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele toezegging van het college om door middel van de exploitatieopzet van de GEM zorg te dragen voor de door de raad gewenste fasering volstaat nu met deze toezegging een gefaseerde uitvoering onvoldoende is gewaarborgd.”

    De Afdeling heeft de toezeggingen van de GEM en het college over de uitvoering van de faseringsregeling via de exploitatieopzet onvoldoende geacht. Uit het gegeven dat de Afdeling via een bestuurlijke lus aan de gemeenteraad heeft opgedragen om binnen zestien weken alsnog een exploitatieplan vast te stellen, waarin de gefaseerde uitvoering wordt opgenomen, kan worden afgeleid dat het waarborgen van een gefaseerde uitvoering, of het stellen van eisen en regels, enkel mogelijk is via het vaststellen van een exploitatieplan.