blog

    Grensoverschrijdend belang (3)

    Elise Zeelenberg
    Elise ZeelenbergPublicatiedatum: 7 februari 2017
    Grensoverschrijdend belang (3)

    In mijn blog van 19 oktober jl. berichtte ik over de veranderde koers van het Europese Hof Justitie ten aanzien van de toets wanneer er sprake is van grensoverschrijdend belang bij een zogenaamde onderdrempelige opdracht. Op basis van dat Tecnoedi-arrest lijkt de hypothese dat buitenlandse ondernemingen geïnteresseerd kunnen zijn niet (langer) voldoende om een grensoverschrijdend belang aan te nemen, maar moet er concrete interesse zijn. Van een abstracte toets naar een concrete toets dus.

    Abstracte of concrete toetsing?

    In mijn (vervolg)blog van 11 november jl. berichtte ik over de eerste Nederlands uitspraak na het Tecnoedi-arrest. Een arrest van het Hof Den Haag van 25 oktober 2016, waarin het Hof Den Haag nog (wel) de abstracte toetsing hanteerde. Dit deed de vraag rijzen of er in Nederland na het Tecnoedi-arrest abstract of concreet getoetst zou gaan worden. Inmiddels is er een nieuwe Nederlandse uitspraak bekend, namelijk van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2016, in vervolg op het arrest van het Hof Den Haag van 25 oktober 2016. De voorzieningenrechter volgt het Europese Hof en toetst concreet.

    De zaak gaat over de exploitatie van reclameruimte als bijvoorbeeld vitrines, abri’s en vervoersmiddelen. In het arrest van het Hof Den Haag ging het over de vraag of de hoofdovereenkomst grensoverschrijdend belang heeft. Volgens het Hof Den Haag was “een reële mogelijkheid van buitenlandse belangstelling” al voldoende om een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te nemen. Die reële mogelijkheid achtte zij in die zaak aanwezig, gelet op de aanzienlijke waarde van de opdracht. Een heel abstracte toets dus.
    In de meest recente zaak van de voorzieningenrechter Rotterdam gaat het over de overbruggingsovereenkomst voor de exploitatie van de reclameruimte, die zonder aanbesteding is gesloten voor de periode die nodig is totdat de aanbesteding voor de hoofdovereenkomst is afgerond. De eisende partijen menen dat ook deze overbruggingsovereenkomst grensoverschrijdend belang kent en dus niet zonder voorafgaande aankondiging gegund had mogen worden. Zij geven daarbij aan dat hun Franse hoofdonderneming ook geïnteresseerd is in de opdracht. De voorzieningenrechter past, anders dan het Hof Den Haag, de concrete toets van het Tecnoedi-arrest toe. De voorzieningenrechter acht het onaannemelijk dat een hoofdonderneming vanuit Frankrijk de overeenkomst zou willen uitvoeren, terwijl haar dochteronderneming in Nederland is gevestigd en dus tegen lagere kosten deze overeenkomst ook zou kunnen uitvoeren. Nu het niet gaat om de uiteindelijke overeenkomst, maar slechts om de overbruggingsovereenkomst, met een financieel geringer belang, oordeelt de voorzieningenrechter dat om die reden nog minder aannemelijk is dat de overbruggingsovereenkomst een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft.

    Conclusie: grensoverschrijdend belang alleen bij daadwerkelijke buitenlandse interesse

    Met deze uitspraak is duidelijk geworden dat in de Nederlandse rechtspraak de concrete toetsing uit het Tecnoedi-arrest (toch) wordt overgenomen. Dit betekent dat, om de te spreken van een opdracht met een duidelijk grensoverschrijdend belang, het niet langer voldoende is dat er sprake is van potentiële buitenlandse interesse, maar dat er concrete interesse van ondernemingen uit het buitenland in de opdracht moet bestaan. Het hebben van een buitenlands moederbedrijf is in dat kader, volgens de Rotterdamse voorzieningenrechter, niet voldoende.

    Wil je meer weten over (de nut en het noodzaak van) de toetsing van opdrachten aan het criterium van het grensoverschrijdend belang, lees dan mijn eerdere blogs, of neem vrijblijvend contact met mij op.