blog

    Het begrip ‘woning’ in de Wet geluidhinder

    Rachid Benhadi
    Rachid BenhadiPublicatiedatum: 11 mei 2016
    Het begrip ‘woning’ in de Wet geluidhinder

    In de Wet geluidhinder wordt een ‘woning’, voor zover hier relevant, gedefinieerd als een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Deze ogenschijnlijk eenvoudige definitie, leidt desalniettemin regelmatig tot discussie. Een mooi voorbeeld is de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:383).

    In die uitspraak stond een door de gemeenteraad van Zaanstad vastgesteld bestemmingsplan centraal. In dat bestemmingsplan was een uitsterfregeling opgenomen voor een gebouw. Een uitsterfregeling bepaalt, kort samengevat, dat wanneer een bepaald gebruik (bijvoorbeeld bewoning) gedurende een bepaalde periode (doorgaans een jaar) is gestaakt geweest, het gebruik na die periode niet meer mag worden hervat. Op grond van de in het bestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling mocht het gebouw worden bewoond. In beroep kwam de vraag aan de orde of een gebouw dat op grond van de in het bestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling bewoond mag worden, kwalificeert als ‘woning’ in de zin van de Wet geluidhinder. Is dat namelijk het geval, dan is het beschermingsregime van de Wet geluidhinder van toepassing en moet voldaan worden aan de in de Wet geluidhinder vastgelegde grenswaarden voor geluidbelasting ter plaatse van de gevel van de woning. Kan niet aan die grenswaarden worden voldaan, dan kunnen, onder omstandigheden, bij beschikking hogere waarden voor die woning worden vastgesteld door burgemeester en wethouders.

    In de hiervoor aangehaalde uitspraak van 17 februari 2016 overweegt de Afdeling dat het betrokken gebouw op grond van de in het bestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling bewoond mag worden. Het betrokken gebouw is daarom een woning als bedoeld in de Wet geluidhinder. Omdat de gemeenteraad dit over het hoofd heeft gezien, is onduidelijk of ter plaatse van de woning voldaan kon worden aan de in de Wet geluidhinder vastgelegde grenswaarde. De Afdeling komt dan ook tot de conclusie dat de in het bestemmingsplan vastgelegde uitsterfregeling in strijd is met de Wet geluidhinder.

    Overigens, gelet op de in de definitie van het begrip ‘woning’ gehanteerde zinsnede ‘waar bewoning is toegestaan’ moet het ervoor worden gehouden dat ook een gebouw dat op grond van het planologisch overgangsrecht bewoond mag worden, kwalificeert als woning in de zin van de Wet geluidhinder. Ook voor die woningen is het noodzakelijk dat getoetst wordt aan de in de Wet geluidhinder vastgelegde grenswaarden.