blog

    Hypotheekhouder geen belang bij cassatieberoep hoogte onteigeningsschadeloosstelling

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 14 augustus 2013

    Wij maken je attent op een arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6532). In deze zaak komt de vraag aan de orde of een hypotheekhouder belang heeft bij cassatieberoep voor zover hij klaagt over de hoogte van de onteigeningsschadeloosstelling.

    Essentie                      

    Een hypotheekhouder heeft geen belang bij cassatieberoep voor zover hij klaagt over de hoogte van de onteigeningsschadeloosstelling. Ingevolge artikel 43 van de Onteigeningswet (hierna: “Ow”) heeft de hypotheekhouder geen recht op afzonderlijke schadevergoeding, maar oefent hij zijn rechten uit op de schadeloosstelling zoals die krachtens rechterlijke beslissing toekomt aan de onteigende. Het vervallen van het hypotheekrecht als gevolg van de inschrijving van het onteigeningsvonnis is weliswaar aan te merken als een ontneming van de eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM, maar de ontneming vindt plaats in het algemeen belang en onder de voorwaarden die zijn voorzien in de wet en in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

    Nader bekeken             

    In deze kwestie is vervroegd uitgesproken de onteigening van een perceel met woning ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart in de gemeenten Sint-Michielsgestel en ’s-Hertogenbosch. Het vonnis is ingeschreven in de openbare registers en vervolgens is de hypotheekhouder in het onteigeningsgeding tussengekomen. De rechtbank heeft bij eindvonnis de schadeloosstelling voor de onteigende vastgesteld op € 403.000,00 terwijl de onteigende en de hypotheekhouder hadden betoogd dat de waarde van het onteigende € 770.000,00 was. Tegen dit eindvonnis richt zich het cassatieberoep van de hypotheekhouder. De onteigende heeft geen cassatieberoep tegen het eindvonnis ingesteld, zodat het in relatie tot haar in gewijsde is gegaan.

    Artikel 43 Ow maakt het mogelijk dat de tussengekomen hypotheekhouder als pandhouder vordert dat de onteigenaar wordt veroordeeld tot rechtstreekse betaling aan hem van (het voorschot op) de aan de onteigende toegekende schadeloosstelling. Het betoog van de hypotheekhouder, dat artikel 43 Ow aldus moet worden toegepast dat de hypotheekhouder zijn zekerheidsrecht steeds tot het volle bedrag waarvoor het is gevestigd kan verhalen op de aan de onteigende toe te kennen schadeloosstelling, wordt door de Hoge Raad terzijde geschoven. Het enkele feit dat in het onteigeningsgeding de werkelijke waarde van het onteigende (en de schadeloosstelling) op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag van de vordering waarvoor het hypotheekrecht was gevestigd, kan niet als aantasting of ontneming van het zekerheidsrecht worden gezien. Het hypotheek- of pandrecht geeft naar zijn aard geen verdere zekerheid dan tot de waarde van het goed waarop het is gevestigd, ook al is het gevestigd voor een vordering tot een hoger bedrag.

    De Hoge Raad overweegt nadrukkelijk dat uit artikel 43 Ow volgt dat de hypotheekhouder geen recht heeft op afzonderlijke schadevergoeding, maar dat hij zijn rechten uitoefent op – kort gezegd – de schadeloosstelling zoals die krachtens rechterlijke beslissing toekomt aan de onteigende. Dus, of de onteigende nu wel of niet cassatieberoep tegen het eindvonnis heeft ingesteld: de hypotheekhouder heeft nooit zelf belang bij cassatieberoep voor zover hij de hoogte van de schadeloosstelling wil betwisten. In deze kwestie heeft de onteigende geen cassatieberoep ingesteld en daarmee is de hoogte van de door de Staat aan de onteigende te betalen schadeloosstelling onherroepelijk komen vast te staan. De Hoge Raad merkt op dat dit strookt met de regel dat de schadeloosstelling door de rechtbank wordt bepaald op het bedrag van het aanbod dat door de onteigenaar is gedaan en dat door de onteigende is aanvaard (vgl. artikel 27, vierde lid, Ow). De tussengekomen hypotheekhouder kan zich daartegen niet verzetten.

    Ook artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM brengt naar het oordeel van de Hoge Raad niet mee dat de hypotheekhouder in cassatie zelfstandig klachten moet kunnen richten tegen de door de rechtbank vastgestelde schadeloosstelling. Het vervallen van het hypotheekrecht als gevolg van de inschrijving van het onteigeningsvonnis is weliswaar aan te merken als een ontneming van de eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol, maar de ontneming geschiedt in het algemeen belang en onder de voorwaarden die zijn voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De wet voorziet erin dat het hypotheekrecht wordt vervangen door een pandrecht op de aan de onteigende toegekende schadeloosstelling, alsmede dat de hypotheekhouder in het onteigeningsgeding kan tussenkomen teneinde zijn zekerheidsrecht tegenover de onteigenaar in te roepen en de door de onteigenaar verschuldigde schadeloosstelling aan hem als pandhouder te laten uitbetalen. Voorts brengt zijn positie als tussenkomende partij mee dat hij in het onteigeningsgeding al hetgeen van belang is voor de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende en de waardevermindering van het overblijvende, aan de onteigeningsrechter kenbaar kan maken.

    Volgens de Hoge Raad is de hiervoor beschreven wettelijke regeling voorts niet in strijd met het beginsel van proportionaliteit. Immers, de onteigende hypotheekgever zal ook zelf opkomen tegen een waardebepaling die te laag is, en bovendien brengt onteigening geen wijziging in de regel dat de hypotheekhouder voor het niet door zijn zekerheidsrecht gedekte bedrag van zijn vordering de schuldenaar kan blijven aanspreken. Bovendien wordt ook de rechtszekerheid gediend, aangezien wordt voorkomen dat in de verhouding tussen de onteigenaar en de hypotheekhouder een ander bedrag aan schadeloosstelling kan worden vastgesteld dan in de verhouding tussen de onteigenaar en de onteigende.