blog

    Inkomensschade/rentevergoeding bij onteigening

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 12 februari 2013

    In dit artikel brengen wij de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2013 (LJN: BY0547) onder de aandacht. Op grond van artikel 72a, eerste lid, van de Onteigeningswet (hierna: “Ow”) is de vervroegde onteigening uitgesproken en de onteigende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van inkomensschade gedurende de periode waarin hij nog geen vervangende grond zal hebben aangekocht. De vraag staat centraal welke rentevergoeding in mindering komt op de vergoeding van het inkomensverlies. Voorts gaat de Hoge Raad in op de betekenis van artikel 50 Ow.

    Essentie

    De renteopbrengsten over de in de schadeloosstelling begrepen vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende komen in mindering op het te vergoeden inkomensverlies. Volgens de Hoge Raad kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de onteigende met het bedrag van de vergoeding van de werkelijke waarde zodanige renteopbrengsten kan genereren als hij zou kunnen behalen met een belegging die wat risico en liquiditeit betreft de investering die voor hem verloren ging zo dicht mogelijk benadert.

    De Hoge Raad stelt verder vast dat artikel 50 Ow, waarin is bepaald dat de kosten van het proces ten laste komen van de onteigenende partij, ziet op de kosten die zijn gemaakt in zowel de vervroegde onteigeningsprocedure als de daarop volgende schadeloosstellingsprocedure.

    Nader bekeken

    Op grond van artikel 72a, eerste lid, van de Onteigeningswet is de vervroegde onteigening uitgesproken ten behoeve van de aanleg van de aansluiting Woerden-Oost op de Rijksweg A12 met bijkomende werken in de gemeente Woerden. Onteigend zijn percelen en perceelsgedeelten met een gezamenlijke grootte van 2.58.78 hectare.
    In deze kwestie gaat het onder andere om het inkomensverlies dat een onteigende lijdt doordat hij gedurende het betrekkelijk korte tijdvak dat naar verwachting gemoeid zal zijn met de verwerving van vervangende grond, de opbrengsten mist die de exploitatie van het onteigende hem opleverde. In mindering op de vergoeding van dit inkomstenverlies komen de renteopbrengsten over de in de schadeloosstelling begrepen vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende.
    In de rechtspraak werd tot noch toe uitgegaan van een rentevoet die de onteigende kan ontvangen bij een belegging die wat betreft het risico en de liquiditeit de investering die voor hem verloren ging zo dicht mogelijk benadert. Thans overweegt de Hoge Raad echter als volgt:

    “De vergoeding van de werkelijke waarde kan niet worden aangemerkt als “vrijkomend kapitaal” in de gebruikelijke onteigeningsrechtelijke betekenis, omdat die vergoeding is bestemd voor de aankoop van de vervangende grond. Er kan dan ook niet zonder meer van worden uitgegaan dat de onteigende met het bedrag van die vergoeding zodanige renteopbrengsten kan genereren als hij zou kunnen behalen met een belegging die wat risico en liquiditeit betreft de investering die voor hem verloren ging zo dicht mogelijk benadert. Veeleer ligt het voor de hand om uit te gaan van de rente over dat bedrag die de onteigende in het betrekkelijk korte tijdvak tussen de onteigening en de verwerving van de vervangende grond bij een solide bankinstelling zou kunnen bedingen.”

    De Hoge Raad redeneert aldus, dat het hier nodig is om de vergoeding van de werkelijke waarde onmiddellijk weer te investeren en aan te wenden voor de aankoop van vervangende grond en dat deze vergoeding daarom niet kan worden beschouwd als voordeel uit de onteigening. In dat verband nuanceert de Hoge Raad de opvatting over de wijze waarop de renteopbrengsten moeten worden berekend.

    In deze kwestie komt verder de betekenis van artikel 50 Ow aan de orde, welk artikel aanspraak geeft op een vergoeding van de proceskosten. De Hoge Raad stelt vast dat het artikel ziet op de kosten die zijn gemaakt in zowel de vervroegde onteigeningsprocedure als de daarop volgende schadeloosstellingsprocedure. De Hoge Raad maakt daarbij de kanttekening, dat de onteigeningsrechter zal toetsen of de kosten die de onteigende partij vergoed wilt zien, redelijkerwijs zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Ten overvloede wordt nog overwogen, dat artikel 50 Ow ook van toepassing is in gevallen waarin de rechter de vordering tot vervroegde onteigening afwijst of niet-ontvankelijk verklaart. Het laatste strookt volgens de Hoge Raad met de strekking van het artikel om kosten die redelijkerwijs gemaakt worden met het oog op verweer tegen een vordering tot (vervroegde) onteigening niet voor rekening van de rechthebbende te laten.