blog

    Kan de verjaringstermijn aanvangen voordat er sprake is van bezit?

    Anne van Wijk-Driessen
    Anne van Wijk-DriessenPublicatiedatum: 17 september 2015

    Inleiding

    Op 4 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2463) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin de vraag centraal stond of verweerder in cassatie door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van een strook grond. Een van de aspecten die in het arrest naar voren komt, is dat de verjaringstermijn voor bevrijdende verjaring al kan aanvangen voordat er sprake is van bezit.

    Relevante feiten

    • de gemeente Arnhem (hierna: “de gemeente”) heeft in de periode van 1950 tot 1982 een onroerende zaak verhuurd aan (de ouders van) verweerder in cassatie (hierna: “verweerder”);
    • de gemeente heeft de onroerende zaak van 1982 tot 1994 in erfpacht gegeven aan verweerder;
    • de gemeente heeft de onroerende zaak in 1994 verkocht aan verweerder;
    • achter de onroerende zaak ligt een strook grond, die in eigendom toebehoort aan de gemeente (hierna: “de gemeentegrond”);
    • de gemeentegrond vormt samen met een gedeelte van de onroerende zaak, te weten de achtertuin, ogenschijnlijk één geheel en is in ieder geval sinds de jaren ‘50 van de vorige eeuw in gebruik als achtertuin. De gemeentegrond wordt begrensd door een steil oplopend talud. Verweerder heeft de achtertuin afgerasterd waar het talud begint;
    • in 2011 heeft de gemeente de gemeentegrond aan verweerder te koop aangeboden;
    • verweerder heeft dit aanbod van de hand gewezen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de gemeentegrond.

    Rechtsvraag

    Is verweerder, door bevrijdende verjaring de eigenaar geworden van de gemeentegrond, terwijl hij en zijn rechtsvoorgangers de gemeentegrond niet gedurende twintig jaar in bezit hebben gehad?

    Bevrijdende verjaring

    Artikel 3:105 BW bepaalt dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW). De verjaringstermijn vangt aan op de dag, volgende op de dag dat ofwel een niet-rechthebbende bezitter is geworden ofwel de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314, tweede lid BW).

    Hoge Raad

    Eigendomspositie vóór 1994

    De Hoge Raad stelt vast dat verweerder van 1982 tot en met 1994 erfpachter (en dus houder) was van de onroerende zaak.

    De Hoge Raad concludeert dat er vóór 1994 geen sprake was van ondubbelzinnig bezit van de gemeentegrond. Het feitelijke gebruik van de gemeentegrond was in beginsel wel zodanig dat daar bezit (‘houden voor zichzelf’) uit kon worden afgeleid, maar het feit dat verweerder tot die tijd erfpachter (en dus houder) was van de onroerende zaak stond in de weg aan het bezit van de aangrenzende gemeentegrond (zie HR 7 maart 1980, NJ 1980, 549, Hof ‘s-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1052 en de conclusie van de P-G bij HR 1 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BY6754).

    Eigendomspositie na 1994

    In 1994 wordt verweerder eigenaar (en dus bezitter) van de onroerende zaak. Vanaf dat moment kon verweerder wel als bezitter van de aangrenzende gemeentegrond worden aangemerkt. De Hoge Raad verwoordt het als volgt:

    “Uit de rov. 4.5 en 4.6 van het hof volgt dat het de feitelijke situatie ten aanzien van de strook [lees: de gemeentegrond] in beginsel van dien aard heeft geacht dat daaruit houden voor zichzelf kon worden aangenomen, maar dat daaraan tot 24 juni 1994 in de weg stond dat [verweerder] van het aangrenzende perceel geen bezitter, maar erfpachter was. Daarvan uitgaande heeft het hof de handhaving van de feitelijke situatie ten aanzien van de strook door [verweerder] vanaf de overdracht van het perceel op 24 juni 1994 – waarmee dat beletsel was opgeheven – zonder schending van enige rechtsregel als bezit van de strook kunnen aanmerken. Ook was het hof niet tot nadere motivering van dat oordeel gehouden.”

    Aanvang verjaringstermijn

    De Hoge Raad stelt allereerst vast dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag die volgt op de dag dat (1) een niet-rechthebbende bezitter is geworden of (2) de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314, tweede lid BW).

    In 1994 wordt verweerder bezitter van de gemeentegrond, maar sindsdien zijn er nog geen twintig jaren verstreken. Verweerder gebruikte de gemeentegrond echter al vóór 1982. Al die tijd was sprake van een onrechtmatige toestand, waarvan de gemeente onmiddellijke opheffing had kunnen vorderen. De gemeente heeft dat nooit heeft gedaan. Hiermee is de verjaringstermijn dus al vóór 1994 aangevangen, aldus de Hoge Raad. Het bezit sinds 1994 vormt vervolgens een voortzetting van de onrechtmatige toestand.

    De Hoge Raad concludeert dat verweerder eigenaar is geworden van de gemeentegrond door bevrijdende verjaring.

    Conclusie

    Dit arrest onderstreept dat je direct actie moet ondernemen, indien een ander zonder recht of titel gebruik maakt van jouw (strook) grond. Ook indien er nog geen sprake is van bezit kan de verjaringstermijn namelijk aanvangen.