blog

    Meest gerede partij

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 17 augustus 2011

    Verzoeker als ‘meest gerede partij’ hoeft niet het bestuursorgaan te betreffen dat is belast met de vaststelling van de planologische grondslag Onteigening op basis van planologisch besluit prevaleert boven onteigening ten behoeve van de uitvoering van een werk of werkzaamheden.

    Hierbij vragen wij aandacht voor het KB van 8 juli 2011, nr. 11.001685 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Emmen krachtens artikel 78 van de Onteigeningswet (onteigeningsplan Vaarverbinding Veenpark-Bladderswijk).

    Wij brengen dit KB in de eerste plaats onder de aandacht, omdat de Kroon in dezen de provincie Drenthe als verzoeker tot onteigening accepteert in plaats van de gemeente Emmen. Dit ondanks dat de onteigening is gebaseerd op een bestemmingsplan. Daarnaast willen wij je erop attent maken dat in deze kwestie de Kroon heeft goedgevonden dat het verzoek tot onteigening is gebaseerd op Titel IV, terwijl het werk waarvoor onteigend wordt een werk betreft als bedoeld in Titel IIA van de Onteigeningswet.

    Door een van de reclamanten is onder andere aan de orde gesteld dat het verzoek tot aanwijzing van diens gronden ter onteigening ten onrechte afkomstig is van de Provinciale Staten van Drenthe. Het kanaal waarop het verzoek betrekking heeft, maakt onderdeel uit van de vaarverbinding tussen Erica en Ter Apel, welke verbinding als een belangrijke ontbrekende schakel wordt gezien tussen verschillende vaarcircuits in Noord-Nederland en Noord-Duitsland. De vaarverbinding maakt onderdeel uit van het actieprogramma TOP 10-projecten dat is bedoeld ter bevordering van de regionale ontwikkeling van Oost-Drenthe en Oost-Groningen. De provincie Drenthe verzorgt samen met de gemeente Emmen een aanzienlijk deel van de financiering van het project. Er wordt door de Kroon aldus geredeneerd dat de provincie Drenthe behalve als opdrachtgever van het project, ook als beheerder van het kanaal op zal treden en gelet daarop en bovendien gelet op het bovengemeentelijke belang van de vaarverbinding, als verzoeker als ‘meest gerede partij’ bij de onteigening kan worden aangemerkt. Opmerkelijk in dit verband is dat het gaat om een onteigening ten behoeve van de aanleg van een kanaal, welke onteigening is gebaseerd op een door de gemeenteraad van Emmen vastgesteld bestemmingsplan. Ter uitvoering van het bestemmingsplan zou mogelijk ook de gemeenteraad als ‘meest gerede partij’ kunnen worden aangemerkt.

    Gesignaleerd moet worden dat de kwalificatie als ‘meest gerede partij’ hier bepalend is bij de beoordeling van de bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening. In een eerder KB van 3 februari 2011, nr. 11.000279 (Onteigeningsplan Overdiepse Polder) werd de term ‘meest gerede partij’ ook gehanteerd. Dat die term van doorslaggevend belang kan zijn bij het indienen van een verzoek tot onteigening volgt niet uit de wet.

    Ook wordt in het KB ingegaan op de zienswijze van een van de reclamanten waarin wordt gesteld dat het primair gaat om onteigening ten behoeve van waterlopen en wegen en dat in dat kader artikel 72a van Titel IIA van de Onteigeningswet dient te worden ingezet. De Kroon overweegt daarover als volgt:

    “Ten aanzien van het onderdeel van de zienswijzen dat ziet op het vermeend onjuiste gebruik van Titel IV van de onteigeningswet, overwegen Wij in het algemeen, dat indien werken en werkzaamheden ten behoeve waarvan om onteigening wordt verzocht hun grondslag vinden in een vastgesteld bestemmingsplan, Titel IV van de onteigeningswet daarvoor de aangewezen titel is om het verzoek om onteigening daarop te baseren. Dit geldt ook voor de aanleg van een kanaal. Het verzoek om onteigening wordt getoetst op het bestaan van deze planologische grondslag. Is deze, zoals in dit geval aanwezig in de vorm van een vastgesteld bestemmingsplan, dan kan het verzoek voor het overige in behandeling worden genomen. Dit onderdeel van de zienswijzen van de reclamante onder 2) geeft Ons dan ook geen aanleiding om het verzoek af te wijzen.”.

    Er wordt verduidelijkt dat Titel IV van de Onteigeningswet dient te worden aangewend in het geval dat werken en werkzaamheden ten behoeve waarvan om onteigening wordt verzocht hun grondslag vinden in een vastgesteld bestemmingsplan. Dit dus ondanks dat de onteigening geschiedt ten behoeve van de aanleg van een waterweg en dat daarvoor ook Titel IIA een wettelijke grondslag biedt. De aanwezigheid van een bestemmingsplan als planologische grondslag voor de onteigening prevaleert dus kennelijk boven het feit dat het onteigeninginstrument wordt ingezet ten behoeve van de aanleg van een waterweg, waarvoor Titel IIA de wettelijke grondslag biedt.