blog

    Normaal maatschappelijk risico bij planschade: aansluiten bij nadeelcompensatie?

    In dit artikel maken wij jou attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2071). In deze zaak komt de vraag aan de orde op welke wijze de omvang van het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid Wro dient te worden vastgesteld.

    Essentie

    De Afdeling overweegt dat in een zaak als deze een drempel van 5% van de waarde van de woning voorafgaande aan de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden gehanteerd. Daartoe zoekt de Afdeling aansluiting bij rechtspraak over nadeelcompensatie.

    Nader bekeken

    Appellant is eigenaar van een woning in Molenhoek. Aan de achterkant van zijn perceel zijn met een vrijstelling (oud recht) acht vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Appellant heeft een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in de planschade. Volgens appellant bestaat de schade uit een waardevermindering van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: “het college”) heeft een tegemoetkoming in de planschade toegekend. De planologisch ontwikkeling lag volgens het college niet in de lijn van de verwachtingen. Het college heeft het normaal maatschappelijk risico vastgesteld op de drempel van 2%, zoals neergelegd in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b Wro. Na toepassing van deze drempel, resteert een tegemoetkoming in de planschade.
    De derde-belanghebbende, met wie de gemeente een planschadeverhaalsovereenkomst heeft gesloten, heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De derde-belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld, waarbij onder meer is aangevoerd dat de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag en de schade volledig onder het normaal maatschappelijk risico valt. In de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: “de rechtbank”) van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RBLIM:2014:6577) overweegt de rechtbank, kort gezegd, dat de bouw van acht vrijstaande woningen inderdaad in de lijn der verwachtingen lag. Daarmee valt de geleden schade (een waardevermindering van 5% van de waarde van de woning) binnen het normaal maatschappelijk risico en komt de schade niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

    Appellant (aanvrager) gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant stelt dat het oordeel van de rechtbank onjuist is en stelt op grond van een contra-expertise dat de planologische ontwikkeling deels wel en deels niet in de lijn van de verwachtingen lag. Appellant stelt het normaal maatschappelijk risico vast op 3% van de waarde van de woning.

    Voor de beantwoording van de vraag of de schade behoort tot het normaal maatschappelijk risico, verwijst de Afdeling naar eerder gewezen jurisprudentie. Nieuw is dat de Afdeling ook aansluit bij rechtspraak waarbij een verzoek om nadeelcompensatie aan de orde is.

    Allereerst verwijst de Afdeling naar de uitspraak inzake een nadeelcompensatiekwestie van 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5105). In deze uitspraak overweegt de Afdeling dat het in beginsel met het oog op de uniformiteit en de voorspelbaarheid van de eventuele vergoeding van schade, aanvaardbaar is dat het bestuursorgaan ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico werkt met een vaste drempel.

    De Afdeling stelt vast dat er voldoende redenen zijn om in dit geval een drempel van 5% te hanteren. Daarbij wordt door de Afdeling verwezen naar de uitspraken van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:572) en 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1198), zie ook onze nieuwsbrief van 18 april 2014) en 2 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2396). In deze uitspraken, waarbij het steeds gaat om een verzoek om nadeelcompensatie, heeft de Afdeling in alle gevallen het normaal maatschappelijk risico vastgesteld op een drempel van 5%. In het onderhavige geval zoekt de Afdeling voor de bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico, aansluiting bij deze jurisprudentie. In deze zaken is volgens de Afdeling eveneens een drempel van 5% geaccepteerd, waarbij de aard van de schade overeenkomstig is en de grondslag voor compensatie eveneens is gelegen in het beginsel voor gelijkheid voor de openbare lasten. De Afdeling overweegt dat een drempel van 5% relatief hoog is in vergelijking tot het minimum-forfait, maar aanvaardbaar is gezien de volgende omstandigheden:

    “- het terrein waarop de acht vrijstaande woningen aan de achterzijde van het perceel van [appellant] mogelijk zijn gemaakt ligt in een centrumdorps milieu en is geheel door (woon)bebouwing omgeven; het terrein moet dan ook worden beschouwd als een inbreidingslocatie;
    – de bouw van woningen op een inbreidingslocatie is een normale maatschappelijke ontwikkeling die zich voordoet in veel centra van steden en dorpen in Nederland;– de gemeente Mook en Middelaar en de provincie Limburg hanteren inbreiding als uitgangspunt van het woningbouwbeleid; de ontwikkeling past daarmee in het gemeentelijk en provinciaal beleid;
    – het terrein had in het bestemmingsplan Molenhoek reeds de bestemming “Woondoeleinden W” gekregen; de gemeenteraad van Mook en Middelaar heeft in 1999 en 2004 uitgesproken een voorstander te zijn voor een invulling van deze locatie met woningbouw;
    – naast het perceel van [appellant] staan op omringende percelen vrijstaande woningen; de bebouwing past dan ook in het karakter van de buurt en sluit in zoverre aan op de plaatselijke situatie;
    – de kortste afstand tussen de woning van [appellant] en het bouwterrein bedraagt ongeveer 18 meter en tussen de woning van [appellant] en de meest dichtbij voorziene woning ongeveer 32 meter.”.