blog

    Normaal ondernemersrisico als drempelpercentage

    Met deze nieuwsbrief brengen wij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) van 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1868) onder jouw aandacht. In deze uitspraak komt het gebruik van het normaal ondernemersrisico in de vorm van een ondergrens of drempel van 15% van de omzet op jaarbasis aan de orde. Het betreft een einduitspraak volgend op de tussenuitspraak van 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS: 2012:BY5105) in de nadeelcompensatiekwestie De Wouwse Tol.

    Essentie

    Bij de hantering van een ondergrens of drempel voor de bepaling van de omvang van het normaal ondernemersrisico, dient het bestuursorgaan de toepassing van deze drempel te motiveren. Meer in het bijzonder dient bij de hantering van een vaste ondergrens of drempel voor verschillende typen ondernemingen gemotiveerd te worden of differentiatie in dat geval gerechtvaardigd is.

    Nader bekeken

    De Wouwse Tol is een wegrestaurant/hotel gelegen aan de rijksweg A58. De Wouwse Tol heeft schade geleden als gevolg van de werkzaamheden aan verschillende rijkswegen en de volledige afsluiting van de afslag naar de onderneming voor een periode van circa twee weken. In verband met deze schade heeft De Wouwse Tol een verzoek om nadeelcompensatie ingediend.

    De Afdeling overweegt (nogmaals) dat een vergoeding van de schade in het kader van nadeelcompensatie eerst aan de orde is indien sprake is van onevenredige, dat wil zeggen buiten het normale ondernemersrisico vallende, schade. In de tussenuitspraak overwoog de Afdeling dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat het hanteren van een vaste ondergrens van 15% van de omzet redelijk is in een geval zoals hier, waarin de weggebonden onderneming een horecabedrijf is. De minister diende derhalve alsnog in te gaan op het betoog van De Wouwse Tol.

    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister het initiële besluit nader gemotiveerd en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie gehandhaafd. De minister stelt dat een redelijk handelend ondernemer, die in belangrijke mate afhankelijk is van een goed functionerende infrastructuur voor zijn bedrijfsvoering, rekening dient te houden met een tijdelijke daling van de omzet als gevolg van infrastructurele maatregelen. Voorts acht de minister een nadere motivering voor het hanteren van een vaste drempel van 15%, waarbij wordt ingegaan op de vraag naar het belang van differentiatie tussen verschillende branches, niet goed mogelijk. Daartoe stelt de minister dat ook binnen een (weggebonden) branche zelf aanzienlijke verschillen optreden. Nu het omzetverlies de drempel van 15% nadert, dient aldus de minister alleen te worden gekeken of de invloed van de schade op de onderneming aan toepassing van die drempel in de weg staat. Aangezien de werkzaamheden in een korte periode zijn uitgevoerd en in dat jaar een positief bedrijfsresultaat is behaald, is de toepassing van de drempel van 15% in dit geval gerechtvaardigd. Volgens de minister wordt De Wouwse Tol niet onevenredig belast door het omzetverlies.

    Met het hierboven weergegeven standpunt van de minister is volgens de Afdeling geen antwoord gegeven op de vraag of uiteenlopende gevolgen voor verschillende typen ondernemingen ertoe zouden moeten leiden dat andere omzetdrempels dan de vaste 15% worden gehanteerd. Het is onvoldoende om de opdracht in de tussenuitspraak te reduceren tot de vraag of een onderneming individueel onevenredig hard wordt getroffen in het geval die onderneming de drempel van 15% nadert.

    Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, in navolging van hetgeen door De Wouwse Tol is gesteld, weggebonden ondernemingen bij een snelweg in nagenoeg alle gevallen een wegrestaurant/hotel of tankstation zal betreffen. De Wouwse Tol heeft voorts aan de hand van cijfers van het CBS laten zien dat beide typen ondernemingen een verschillende kostenstructuur kennen met een wezenlijk andere verhouding tussen kosten en omzet.

    De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Er wordt een bedrag bepaald dat de minister aan nadeelcompensatie dient te betalen, waarbij het normaal ondernemersrisico wordt vastgesteld op 10% van de gemiddelde omzet van de drie voorafgaande jaren. De hoogte van deze drempel is conform het voorstel van De Wouwse Tol.