blog

    Onteigening bestemmingsplan afweging op perceelniveau

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 14 oktober 2011

    In het geval dat een bestemmingsplan onteigening van (pacht)gronden met een tot op heden voornamelijk agrarische functie mogelijk maakt ten behoeve van natuur, water en recreatie, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening een belangenafweging op perceelniveau plaats te vinden.

    In dit artikel vragen wij aandacht voor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) van 28 september 2011, LJN:BT2813. In deze uitspraak staat het bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder-Roeleveen’ van de gemeente Zoetermeer ter discussie. Het bestemmingsplan is onderdeel van het project Nieuwe Driemanspolder. De Nieuwe Driemanspolder wordt ingevolge dit plan ingericht als natuur-, recreatie-, en waterbergingsgebied en maakt deel uit van de Groen-Blauwe slinger; een groenverbinding tussen het Groene Hart en Midden-Delfland.

    Appellant exploiteert een rundveehouderij in de Driemanspolder. Hij bezit een perceel grond buiten het plangebied en is pachter van landbouwgronden achter zijn boerderij. Die landbouwgronden zijn binnen het plangebied gelegen. Aan deze gronden is de bestemming ‘Groen’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ toegekend. De bedrijfsgebouwen van appellant zijn gesitueerd op gronden die zijn gelegen binnen een ander bestemmingsplan (het bestemmingsplan ‘Voorweg’), in welk bestemmingsplan deze bedrijfsgebouwen positief zijn bestemd. De gemeenteraad heeft ter zitting bevestigd dat het bedrijf niet meer levensvatbaar is, indien de gepachte gronden in het plangebied niet meer voor bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden aangewend. De raad heeft aangegeven in dat geval tot onteigening van de gronden over te moeten gaan. Naar het oordeel van de Afdeling is door de raad miskend dat er ten aanzien van de gronden waarop de bedrijfsgebouwen van appellant zijn gelegen, geen titel bestaat voor onteigening. Deze gronden vallen immers binnen het bestemmingsplan “Voorweg”. Door de Afdeling wordt in aanmerking genomen dat het onzeker is of appellant op minnelijke wijze wenst mee te werken aan verkoop van zijn gronden en dat het vinden van een alternatieve locatie in de omgeving lastig zal zijn. Het laatste is door de raad onderkend.

    Het voornoemde in aanmerking genomen, beslist de Afdeling als volgt:

    “Nu vaststaat dat zonder de gepachte gronden in het plangebied geen rendabele bedrijfsvoering mogelijk is en geen zicht bestond op een oplossing voor het resterende deel van het bedrijf heeft de raad in redelijkheid niet kunnen volstaan met het anders bestemmen van dit deel van het bedrijf. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling met de belangen van [appellant sub 2] in de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden. Het betoog slaagt.”

    Het oordeel van de Afdeling is in lijn met de eerdere uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2011, zaaknummer: 200906790/1/R2(bestemmingsplan Marickenland, gemeente Ronde Venen). De Afdeling oordeelde destijds dat het in beginsel mogelijk is om een bestemmingsplan vast te stellen met de bedoeling een grondslag te creëren voor onteigening ten behoeve van de ontwikkeling van een recreatie- en natuurgebied op gronden waarop eerder een agrarische bestemming lag. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat, om te bepalen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening, op perceelniveau moet worden onderzocht welke gevolgen de toegekende bestemmingen zullen hebben voor (de bedrijfsvoering van) de individuele bedrijven. Daarbij is van belang is dat er nog een rendabele bedrijfsvoering resteert, indien het desbetreffende bedrijf het zonder de onbebouwde agrarische gronden zal moeten stellen. Opgemerkt dient te worden dat het in die uitspraak ging om de eigendomspositie van appellant, terwijl in de hierboven besproken uitspraak van de Afdeling van 28 september 2011 pachtgronden centraal staan.