blog

    Onteigening: gestanddoening bijkomend aanbod?

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 12 december 2019Laatste update: 16 januari 2020
    Onteigening: gestanddoening bijkomend aanbod?

    In twee (samenhangende) conclusies van Advocaat-Generaal Valk van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:1053 en ECLI:NL:PHR:2019:1052) is de bijkomende aanbieding naast de verplichte schadeloosstelling in een onteigeningsprocedure aan de orde.

    Het betreft een onteigening door de provincie Noord-Holland ten behoeve van onder meer een hoogwaardig openbaar vervoer- busbaan in het Gooi, de aanleg van een natuurbrug, een tunnel en twee parallelwegen met bijkomende werken in Laren en Hilversum.

    De klachten van het cassatiemiddel zien op een termijn die de rechtbank heeft verbonden aan de aanvaarding van een bijkomend aanbod.

    De geschiedenis van bijkomende aanbiedingen

    De A-G gaat eerst in op de geschiedenis van het verschijnsel van bijkomende aanbiedingen en de betekenis van een door de onteigeningsrechter bevolen gestanddoening hiervan.

    Bijkomende aanbiedingen hebben in de praktijk onder de onteigeningswet vanaf het begin een rol gespeeld, ook zonder aanknopingspunten daarvoor in de wet. Thans is zo’n aanknopingspunt er wel in art. 54i lid 1 Ow, maar nog steeds geldt dat bijna alle aspecten van het bijkomend aanbod niet wettelijk zijn geregeld.

    Gesproken wordt van bijkomende aanbiedingen, omdat het voorzieningen betreft die worden aangeboden naast de verplichte aanbieding van schadeloosstelling in de dagvaarding tot onteigening (art. 22 Ow).

    Bijkomende aanbiedingen hebben ook afgezien van de context van het onteigeningsgeding betekenis. Ze betreffen namelijk een aanbod in de zin van het burgerlijk recht (art. 6:217 e.v. BW).

    Wordt een aangeboden bijkomende voorziening door de onteigende aanvaard voordat het aanbod als vervallen moet worden beschouwd (onder meer art. 6:221 BW), dan komt een overeenkomst tot stand.

    Twee vragen

    In het onteigeningsgeding zijn wat betreft bijkomende aanbiedingen twee vragen aan de orde, aldus de A-G in de conclusies.

    De eerste vraag ziet op de vastlegging van gedane bijkomende aanbiedingen in het vonnis. De tweede op de invloed van die aanbiedingen op de hoogte van de schadeloosstelling.

    In het aanvankelijke stelsel van de onteigeningswet volgens welke bij hetzelfde vonnis de onteigening werd uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald, was de volgorde van deze vragen andersom: welke is de invloed van bijkomende aanbiedingen op de hoogte van de schadeloosstelling en wat moet in verband hiermee in het vonnis worden opgenomen?

    Aanvaarding van het bijkomend aanbod

    De eerste stap ziet op het geval dat het aanbod nog tijdens het onteigeningsgeding is aanvaard.

    In dat geval stelt de onteigeningsrechter de schadeloosstelling op een lager bedrag vast – mits de aangeboden en aanvaarde voorziening schadebeperkend van aard is – en verschaft hij de onteigende tegelijk een executoriale titel wat betreft de overeengekomen bijkomende voorziening, door de onteigenaar te bevelen om te doen wat hij heeft beloofd.

    Geen aanvaarding van het bijkomend aanbod

    De volgende stap is geweest dat indien het aanbod schadebeperkend is en bovendien de onteigende onredelijk handelt door het niet te aanvaarden, de onteigeningsrechter de schadeloosstelling eveneens op een lager bedrag vaststelt, met opnieuw het bevel aan de onteigenaar om de aangeboden voorziening te realiseren, niettegenstaande de weigering van de onteigende.

    Bijkomend aanbod in de praktijk

    De praktijk heeft zich vervolgens in andere zin ontwikkeld, aldus dat aan de onteigenaar bij eindvonnis niet bevolen wordt de aangeboden voorziening te realiseren, maar om zijn aanbod ‘gestand te doen’.

    De onteigende die ook na het eindvonnis een schadebeperkend en redelijk bijkomend aanbod blijft weigeren, moet de nadelige gevolgen van die weigering dragen (een lagere schadeloosstelling).

    In het huidige stelsel waarin in de regel de vervroegde onteigening wordt uitgesproken en de hoogte van de schadeloosstelling bij een volgend vonnis wordt bepaald, is het perspectief verschoven.

    Art. 54i Ow schrijft voor dat bij het vonnis tot vervroegde onteigening het voorschot op de schadeloosstelling wordt bepaald en ‘de door de onteigenaar te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen’.

    De hoogte van de schadeloossteling

    Over de hoogte van de schadeloosstelling moet echter nog worden beslist en dus ook over de vraag in hoeverre gedane bijkomende aanbiedingen schadebeperkend zijn en aanvaarding ervan redelijk is.

    De strekking van het opnemen van bijkomende aanbiedingen in het vonnis tot vervroegde onteigening is dus beperkter dan in het geval bij één vonnis over onteigening en schadeloosstelling wordt beslist.

    Afdwingen nakoming

    Tot die strekking behoort in ieder geval dat aan de onteigende, indien hij het gedane aanbod aanvaardt, een titel wordt verschaft om nakoming af te dwingen.

    (Ook) de beslissing in het vonnis tot vervroegde onteigening met betrekking tot een bijkomend aanbod heeft in de praktijk de vorm dat de onteigenaar wordt bevolen dat aanbod gestand te doen. Een verdergaande beslissing is niet passend, omdat het karakter van het aanbod (schadebeperkend en redelijk, of niet) nog niet vaststaat.

    Aanvaardingstermijn

    Uiteraard kan van de onteigenaar niet worden gevergd dat hij zich onbeperkt beschikbaar houdt om de aangeboden voorziening te realiseren. Dit geldt in ieder geval na het eindvonnis waarbij over de schadeloosstelling en dus ook over het karakter van gedane bijkomende aanbiedingen is beslist.

    De onteigende dient binnen een redelijke termijn na dit eindvonnis het bijkomend aanbod alsnog te aanvaarden.

    De betekenis van het bevel om het aanbod gestand te doen, lijkt erin te zijn gelegen dat de onteigenaar zich niet op het standpunt kan stellen dat het aanbod reeds is vervallen, terwijl voor de vraag wat een redelijke termijn is waarbinnen het aanbod moet worden aanvaard (art. 6:221 lid 1 BW), in het algemeen slechts hoort te worden gelet op de periode vanaf het eindvonnis.

    De onzekerheid wat een redelijke termijn is, kan de onteigeningsrechter zich aantrekken door aan de bevolen gestanddoening een termijn te verbinden. Zo’n termijn belet de onteigenaar uiteraard niet om een aanvaarding nadien te accepteren, maar daartoe is hij niet verplicht.

    Bijkomend aanbod en vonnis vervroegde onteigening

    Ook voor bijkomende aanbiedingen waarvan de gestanddoening in het vonnis tot vervroegde onteigening wordt bevolen, kan de behoefte bestaan om hieraan een termijn te verbinden. Bijvoorbeeld voor een bijkomende aanbieding tot voortgezet gebruik. Hiervoor zal vaak gelden dat van de onteigenaar in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij het onteigende voor dat gebruik beschikbaar blijft houden, hoewel de onteigende haar beslissing om het aanbod te aanvaarden voor zich uit blijft schuiven. Een ander voorbeeld dat wordt genoemd is een aanbod tot verlegging van een weg, welke verlegging vanaf enig gevorderd stadium in de voorbereiding of uitvoering van het werk niet meer mogelijk is, althans meer kosten zal meebrengen.

    Betreft een bijkomende aanbieding een voorziening die pas op termijn gevolgen heeft, dan zal gepast zijn dat de gestanddoening wordt bevolen tot op ten minste het eindvonnis omtrent de schadeloosstelling. Een bevolen gestanddoening zonder vermelding van een termijn zal volgens de A-G in het algemeen in laatstbedoelde zin moeten worden verstaan.

    Ten slotte wordt er in de conclusies op gewezen dat het niet voor de hand ligt dat de rechter, in afwijking van wat overigens in het onteigeningsrecht geldt, wat betreft zijn beslissing over bijkomende aanbiedingen en de aan een te bevelen gestanddoening eventueel te verbinden termijn, aan de grenzen van het partijdebat gebonden zou zijn.

    Hij beslist daarover zelfstandig, zoals hij dat doet over de hoogte van de schadeloosstelling, alsook over het voorschot.

    Mag de rechtbank een termijn verbinden aan bevolen gestanddoening?

    Vervolgens worden de klachten besproken. De strekking van de klachten is dat de rechtbank aan de bevolen gestanddoening geen termijn mocht verbinden, althans dat die termijn langer diende te zijn dan door de rechtbank bepaald.

    Subonderdeel IIa berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de rechtbank bij haar beslissing omtrent het bijkomend aanbod van de provincie gebonden was aan de grenzen van het partijdebat. De subonderdelen IIb, IIc en IId geven een onjuiste voorstelling van zaken omtrent het karakter van het door de provincie gedane bijkomende aanbod. Het aanbod betreft een recht (onder voorwaarde) om de percelen te mogen terugkopen.

    Aanvaarding van het aanbod verplicht de eigenaren dus niet tot terugkoop, maar verschaft hen slechts een recht. Reeds hierom kunnen de klachten geen doel treffen.

    De A-G leest in de klacht niet dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank aan de gestanddoening van het bijkomend aanbod een termijn heeft verbonden, althans dat de beslissing omtrent de lengte van die termijn onbegrijpelijk is.

    Omdat het aanbod een voorziening betreft die pas op termijn gevolgen heeft, zou het voor de hand liggen dat de rechtbank de gestanddoening zou hebben bevolen tot op ten minste het eindvonnis omtrent de schadeloosstelling.

    De rechtbank heeft de termijn die aan de gestanddoening door de provincie is verbonden bovendien de ‘ongelukkige’ vorm gegeven dat de eigenaren het aanbod binnen veertien dagen dienen te aanvaarden ‘bij gebreke waarvan het bijkomend aanbod als vervallen moet worden beschouwd’, aldus de A-G.

    Als al een termijn nodig was, volstond dat die termijn werd verbonden aan het bevel tot gestanddoening. Het kan aan de provincie worden overgelaten of zij tegen een aanvaarding na afloop van de termijn bezwaar heeft. Het cassatiemiddel lijkt daarover echter niet te klagen.

    Bereidheid gestanddoening aanbod door provincie?

    De A-G geeft verder aan geneigd te zijn om uit de toelichting van de provincie op te maken dat de provincie bereid is om haar aanbod in ieder geval tot het eindvonnis omtrent de schadeloosstelling gestand te doen.

    Daarover bestaat echter twijfel vanwege de opmerking dat de rechtbank niet anders heeft gedaan dan bepalen wat een redelijke termijn is waarbinnen het aanbod dient te worden aanvaard in de zin van art. 6:221 BW.

    De A-G geeft de provincie tot slot in overweging om in haar Borgersbrief te verhelderen dat zij inderdaad bereid is om haar aanbod in ieder geval tot het eindvonnis omtrent de schadeloosstelling gestand te doen.

    Tot slot

    De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Het is de vraag of de Hoge Raad de conclusie zal volgen. Het is voor de praktijk interessant hoe het arrest zal luiden, temeer omdat dat de meeste aspecten van het bijkomend aanbod niet wettelijk zijn geregeld.

    Vragen?

    Heb je vragen naar aanleiding van deze blog? Neem dan contact op met Marie-Anna Bullens of Chantal van Mil.