blog

    Onteigening - hoor en wederhoor - uitleg 32 Ow

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 18 april 2013

    Hoor en wederhoor, strekking artikel 86, tweede lid (oud) Onteigeningswet en benoeming deskundigen, uitleg artikel 32 Onteigeningswet

    In dit artikel brengen wij het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2013 (LJN: BY8098) onder de aandacht. In dit arrest komen twee vragen aan de orde, namelijk: 1) of de door de Kroon gevolgde wijze van gehoor, waarbij eiser buiten aanwezigheid van de gemeente is gehoord, in strijd is met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, en 2) of eiser inspraak had moeten worden gegeven bij de benoeming van de deskundigen.

    Essentie                      

    1.  De Hoge Raad oordeelt dat artikel 86, tweede lid (oud) Onteigeningswet (hierna: “Ow”) er (slechts) toe strekt degene die bezwaren tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht, de gelegenheid te bieden die bezwaren mondeling toe te lichten alvorens een definitief besluit genomen wordt. De Hoge Raad verduidelijkt, dat het beginsel van hoor en wederhoor pas een rol speelt in een tegen het besluit gerichte procedure.
    2. Verder moet artikel 32 Ow in de praktijk ruim worden uitgelegd, wat in deze kwestie inhoudt dat de benoeming van deskundigen mocht geschieden zonder dat eiser in de gelegenheid werd gesteld te dien aanzien inspraak te hebben.

    Nader bekeken             

    Bij Koninklijk Besluit van 3 maart 2011 (Stcrt. 2011, 3778 van 17 maart 2011) is goedkeuring verleend aan het besluit van de gemeenteraad van 7 juni 2010 om ter uitvoering van het bestemmingsplan “Holtum-Noord II” over te gaan tot onteigening van het perceel van eiser tot cassatie. De rechtbank heeft vervolgens op verzoek van de gemeente de vervroegde onteigening uitgesproken, het voorschot op de nog vast te stellen schadeloosstelling bepaald en een drietal deskundigen benoemd om de schadeloosstelling te begroten.

    In cassatie stelt eiser in de eerste plaats dat vanwege de door de Kroon gevolgde wijze van gehoor, waarbij eiser buiten aanwezigheid van de gemeente is gehoord, zijn belangen zijn geschaad. Meer in het bijzonder is eiser van mening dat de Kroon-ambtenaar het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Het beginsel van hoor en wederhoor zou zich volgens eiser ook uitstrekken tot de administratieve (Kroon)procedure.

    De Kroon diende onder het oude recht (gewijzigd per 31 maart 2010 door de Crisis- en herstelwet) goedkeuring te verlenen aan het raadsbesluit ter onteigening. In het tweede lid van artikel 86 (oud) Ow was bepaald, dat voordat de Kroon zou beslissen, degenen die bezwaren naar voren hadden gebracht, in de gelegenheid werden gesteld zich te doen horen. In dit arrest is de Hoge Raad van oordeel dat artikel 86, tweede lid (oud) Ow er (slechts) toe strekt degene die bezwaren tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht, de gelegenheid te bieden die bezwaren mondeling toe te lichten alvorens een definitief besluit genomen wordt. De Hoge Raad verduidelijkt dat het beginsel van hoor en wederhoor pas een rol speelt in een tegen het besluit gerichte procedure. Wij gaan ervan uit dat hiermee de gerechtelijke procedure wordt bedoeld, aangezien er geen (andere) procedure bestaat waarin het KB ter toetsing kan worden voorgelegd aan een rechter. Wij stellen vast dat dit arrest betrekking heeft op de Ow zoals die gold voor de wijziging door de Crisis- en herstelwet. Wij verwachten niet dat het arrest op dit punt gevolgen zal hebben voor de onteigeningspraktijk naar nieuw recht.

    Eiser stelt in deze procedure in de tweede plaats aan de orde, dat de rechtbank ten onrechte eiser geen inspraak heeft gegeven bij de benoeming van de deskundigen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de overlegverplichting ex artikel 194, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) toepassing vindt omdat artikel 2 Ow bepaalt dat Rv op het geding van onteigening van toepassing is, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. In artikel 32 Ow is bepaald dat de formaliteiten, bij Rv voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het bericht van deskundigen, ten deze niet van toepassing zijn. Eiser heeft bepleit dat de woorden “ten deze” restrictief moeten worden uitgelegd en slechts betrekking hebben op het bijzondere geval dat is voorzien in artikel 31 Ow.

    Naar het oordeel van de Hoge Raad dient artikel 32 Ow echter aldus te worden begrepen dat de overlegverplichting van artikel 194, tweede lid, Rv niet van toepassing is op de benoeming van deskundigen in de onteigeningsprocedure. De Hoge Raad overwoog daartoe het volgende:

    “ (…) Een dergelijke restrictieve lezing doet echter geen recht aan het eigen karakter van de onteigeningsprocedure, waarvoor specifieke deskundigheid vereist is, en die gericht is op een spoedige afwikkeling. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9 is vermeld, werken de rechtbanken veelal met lijsten van deskundigen die ervaring hebben met de onteigeningsregels, die gespecialiseerd zijn en die in staat zijn snel tot een onafhankelijk en onderbouwd advies te komen. Bij de benoeming van deskundigen putten de rechtbanken uit die lijsten, doorgaans zonder voorafgaand overleg met partijen. Het zou in strijd met het hiervoor genoemde karakter van de onteigeningsprocedure komen wanneer van die staande praktijk zou moeten worden afgeweken doordat in de onteigeningsprocedure omtrent de benoeming van iedere deskundige steeds eerst de zienswijze van de betrokken partijen zou moeten worden verkregen (…).”

     De Hoge Raad merkt nog wel op dat het de partijen vrijstaat voorafgaand aan de benoeming opmerkingen dienaangaande te maken. In aanvulling daarop, wijzen wij op de mogelijkheid ook na deskundigenbenoeming nog bezwaren tegen een specifieke deskundige kenbaar te maken. Bij een terecht bezwaar zal de deskundige zich in de praktijk terugtrekken. Wanneer hij dat niet doet, kan een partij zich tot de rechter wenden.