blog

    Onteigeningsvergoeding en ongeoorloofde staatsteun

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 30 juli 2015

    De Rechtbank Noord Nederland heeft op 1 juli 2015 een vonnis gewezen (ECLI:NL:RBNNE:2015:3300) waarin de relatie tussen het staatssteunrecht en het onteigeningsrecht bij het aangaan van een grondtransactie aan de orde is. In het vonnis wordt overwogen dat wanneer specifiek schadevergoeding voor onteigening wordt toegekend, geen sprake is van staatssteun.  Dit geldt ook ten aanzien van overeenkomsten die zijn aangegaan ter voorkoming van onteigening. In een dergelijk  geval is de betaling immers enkel bedoeld als een evenredige compensatie van schade die de ontvanger ten gevolge van de onteigening lijdt of zal lijden. Een dergelijke compensatie of schadevergoeding levert geen staatssteun op. In het onderhavige geval was de koopovereenkomst echter niet tot stand gekomen onder een dreigende onteigening. De rechtbank toetst daarom of de overeengekomen koopprijs marktconform is en komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de koopovereenkomst een ongeoorloofde steunmaatregel in de zin van artikel 107 VWEU behelst.

    Casus/feiten

    De casus houdt kort gezegd in dat de gemeente – na onderhandelingen – in 2009 een koopovereenkomst heeft gesloten met ondernemer Spaansen. De overeenkomst hield in dat de gemeente de gronden waarop de onderneming van Spaansen was gevestigd zou kopen voor een bedrag van € 6,5 miljoen. Op deze gronden zou woningbouw gerealiseerd kunnen worden. De gemeente zou een aanvullend bedrag van € 2,0 miljoen betalen, nadat Spaansen zijn onderneming naar een andere locatie zou hebben verplaatst. De gemeente zou dit aanvullende bedrag van € 2,0 miljoen in ieder geval binnen 5 jaren na het sluiten van de overeenkomst voldoen, ongeacht of de onderneming van Spaansen zou zijn verplaatst. Toen Spaansen de gemeente in 2011 verzocht om het resterende bedrag te betalen, weigerde de gemeente het bedrag te voldoen. Het bedrijf van Spaansen was niet verplaatst en de gemeente was van oordeel dat de overeengekomen koopsom niet marktconform was en dus staatssteun opleverde. De gemeente heeft vervolgens bij de rechtbank een vordering ingediend die gericht was op het verkrijgen van een verklaring voor recht inhoudende dat de overeenkomst, althans de overeengekomen koopsom, onrechtmatige staatssteun bevat.
    Spaansen stelt zich in de procedure op het standpunt dat de koopsom geen ongeoorloofde staatsteun betreft, omdat de overeengekomen koopsom een vergoeding betreft van de schade die Spaansen zou hebben geleden als het bedrijventerrein zou worden onteigend, ingeval de minnelijke verwerving zou uitblijven. De aankoop van het bedrijventerrein geschiedde – aldus Spaansen – ter voorkoming van een dreigende en voorzienbare onteigening.

    Oordeel van de rechtbank

    De rechtbank beoordeelt allereerst of sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. Daarvoor is in de eerste plaats van belang of de overeengekomen koopsom marktconform is.

    De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de marktconformiteit van de door de gemeente verschuldigde aankoopprijs moet worden uitgegaan van de onderhandse verkoopwaarde, in ongesaneerde staat, met als bestemming woningbouw.

    De rechtbank overweegt dat, conform het principe de vervuiler betaalt, de saneringskosten (van in casu circa € 3.000.000,–) in beginsel door Spaansen gedragen zouden moeten worden en daarom van de koopsom afgetrokken hadden moeten worden. Dat is echter niet gebeurd. Ook blijkt uit een taxatie dat onderhandse verkoopwaarde van het terrein per datum verkoop € 6.250.000,– bedraagt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overeengekomen koopsom van € 8.500.000,– een bedrag van € 2.250.000,– aan staatssteun omvat (€ 8.500.000,– minus € 6.250.000,–). Omdat volgens de rechtbank ook aan de overige voorwaarden van artikel 107 VWEU is voldaan, is sprake van onrechtmatige staatssteun.

    Vervolgens gaat de rechtbank in op het verweer van Spaansen, inhoudende dat de overeengekomen koopsom een schadeloosstelling in het kader van onteigening zou betreffen. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de beschikkingen van de Europese Commissie Akzo Nobel – Steunmaatregel N304/2003 d.d. 16 juni 2004 – en Nedalco – Steunmaatregel SA.32225, 2011/NN d.d. 2 oktober 2013 als volgt. Wanneer specifiek schadevergoeding voor onteigening wordt toegekend, moet worden uitgesloten dat sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. Dit geldt ook ten aanzien van overeenkomsten die zijn aangegaan ter voorkoming van onteigening. Aldus de rechtbank is in een dergelijk geval de betaling enkel bedoeld als een evenredige compensatie van schade die de ontvanger ten gevolge van de onteigening lijdt of zal lijden en die voor iedere onderneming in dezelfde omstandigheden en onder dezelfde voorwaarden beschikbaar zou zijn.

    In de gegeven omstandigheden is de rechtbank evenwel van oordeel dat de koopovereenkomst niet tot stand is gekomen tegen de achtergrond van een dreigende onteigening. In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat de gemeente nimmer heeft besloten – of daartoe (in de onderhandelingen) het voornemen heeft geuit – om voor de verwerving van het bedrijventerrein van Spaansen het onteigeningsinstrument in te zetten. Bovendien kwam het initiatief voor de verkoop niet van de zijde van de gemeente, maar van Spaansen.

    De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de overeenkomst een onrechtmatige steunmaatregel omvat, zodat Spaansen in ieder geval geen aanspraak kan maken op het door haar gevorderde bedrag van € 2.000.000,–. Ook dient Spaansen een bedrag van € 250.000,– aan de gemeente te restitueren.

    De rechtbank komt nog niet tot een eindoordeel, omdat zij Spaansen en de gemeente nog in de gelegenheid stelt zich uit te laten over de vraag of de de vaststelling dat sprake is van onrechtmatige staatssteun gevolgen moet hebben voor de rechtsgeldigheid c.q. (partiële) nietigheid van de koopovereenkomst.

    De uitspraak is zeer lezenswaardig, omdat de rechtbank de voorwaarden van artikel 107 VWEU voor het doen ontstaan van staatssteun puntsgewijs naloopt en uitgebreid bespreekt. De uitspraak is ook opmerkelijk, omdat het beroep op het staatssteunrecht en het daarop gebaseerde beroep op de onverbindendheid van de afspraak met betrekking tot de koopsom door de gemeente zelf wordt gedaan en door de rechter wordt gehonoreerd.

    Conclusie

    Uit deze uitspraak volgt dat – in geval van bijvoorbeeld een bedrijfsverplaatsing – het overeenkomen van een schadeloosstelling op basis van een “onteigeningstaxatie” alleen staatssteunproof is wanneer er een concreet voornemen of besluit van de gemeente ligt om daadwerkelijk tot onteigening over te gaan, indien in het minnelijk traject geen overeenstemming kan worden bereikt. Is er geen concreet voornemen om tot onteigening over te gaan, maar komen de voorwaarden voor de transactie inclusief de koopsom feitelijk door middel van onderhandelingen tot stand, dan is een schadeloosstelling niet aan de orde maar moet sprake zijn van een marktconforme koopsom. Als de koopsom niet marktconform is, is de koopovereenkomst in beginsel niet staatssteunproof en lopen partijen het risico dat de overeenkomst geheel of gedeeltelijk nietig is.