blog

    Planschade: voorzienbaarheid en rechtsopvolging

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 19 oktober 2012

    Met dit artikel brengen wij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 oktober 2012, 201110877/1/A2 (LJN: BX9702) onder de aandacht. In deze planschadezaak komt de voorzienbaarheid van een planologische verslechtering aan de orde in relatie tot bedrijfsovername in familieverband na overlijden.

    Essentie

    Er zijn situaties waarbij voor het bepalen van de voorzienbaarheid van een planologische verslechtering verkrijging onder bijzondere titel gelijkgesteld moet worden aan verkrijging onder algemene titel. Dat kan het geval zijn als in een maatschapsakte een verblijvensbeding is opgenomen dat een substituut vormt voor erfopvolging omdat het als doel heeft het bedrijf integraal van vader op kind over te doen gaan, onder compensatie van de andere erfgenamen wegens overbedeling. In een dergelijk geval is weliswaar sprake van verkrijging onder bijzondere titel omdat de bedrijfsoverdracht geschiedt op voorwaarde dat een bedrag wordt voldaan wegens overbedeling, maar voor de vraag of sprake is van risicoaanvaarding moet beoordeeld worden of op het moment van verwerving door de erflater de planologische verslechtering al voorzienbaar was. De overdracht op grond van het verblijvensbeding blijft buiten beschouwing.

    Nader bekeken

    Vergelijkbare constructies komen met name in de agrarische sector met regelmaat voor. Hieronder volgt de betreffende rechtsoverweging van de Afdeling. Deze is lezenswaardig omdat de exacte situatie wordt omschreven:

    “5. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat de overname van het bedrijf na het overlijden van zijn vader in familieverband heeft plaatsgevonden, zodat sprake is geweest van verkrijging onder algemene titel, althans daarmee op één lijn moet worden gesteld, in plaats van verkrijging onder bijzondere titel en hem geen voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen, nu de planologische wijziging niet voorzienbaar was op het moment dat zijn vader het bedrijf kocht.

    5.1. Op 9 december 1995 zijn [appellant] en zijn vader een maatschap aangegaan. De vader van [appellant] heeft hierbij het economisch belang van het bedrijf ingebracht. Zijn vader en zijn moeder die in algemene gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest, zijn eigenaar gebleven van het bedrijf. In de maatschapsakte is een verblijvensbeding opgenomen dat [appellant] aanspraak geeft op overdracht van het bedrijf tegen vergoeding van de waarde in geval van overlijden van zijn vader.

    Na het overlijden van zijn vader is [moeder appellant] volledig eigenaar geworden van het bedrijf, nu haar echtgenoot in zijn testament alle tot de nalatenschap behorende zaken aan haar heeft toegedeeld. Aan zijn kinderen heeft hij een geldvordering ten laste van de moeder toebedeeld, overeenkomend met de waarde van hun erfdeel. Op grond van het verblijvensbeding heeft [moeder appellant] bij akte van 28 april 1997 het bedrijf in het kader van bedrijfsoverdracht geleverd aan [appellant]. Wegens overbedeling heeft [appellant] bij deze overdracht aan haar een bedrag van ƒ 716.475,00 (€ 325.122,18) moeten voldoen, waarbij de hiervoor genoemde vordering op haar is verrekend. Hieruit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat sprake is van een verkrijging onder bijzondere titel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ligt het echter in de rede bij de beantwoording van de vraag of sprake is van risicoaanvaarding de rechtsopvolging op grond van een in een maatschapsakte opgenomen verblijvensbeding zoals hier op één lijn te stellen met een rechtsopvolging onder algemene titel. Daartoe is van doorslaggevend belang dat een dergelijk verblijvensbeding een substituut voor erfopvolging vormt, want ten doel heeft het bedrijf integraal van vader op zoon over te doen gaan, onder compensatie van de andere erfgenamen wegens overbedeling. Nu voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord heeft het college ten onrechte de voorzienbaarheid van de planologische verslechtering aan [appellant] tegengeworpen.”.