blog

    Publicatiegebrek? Het relativiteitsvereiste schiet te hulp

    Rachid Benhadi
    Rachid BenhadiPublicatiedatum: 4 juli 2016
    Publicatiegebrek? Het relativiteitsvereiste schiet te hulp

    Uit artikel 3:12 lid 1 van de Awb volgt dat de gemeenteraad in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan kan volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud ervan (artikel 3:42 van de Awb bevat een regeling met dezelfde strekking voor vastgestelde bestemmingsplannen). De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ0271) reeds uitgemaakt dat de aanduiding c.q. beschrijving van het gebied waarop het ontwerpbestemmingsplan betrekking heeft, mede wordt begrepen onder de zakelijke inhoud van de kennisgeving. In die gevallen waarin uit de naam van het ontwerpbestemmingsplan kan worden afgeleid op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, kan in de kennisgeving worden volstaan met het (uitsluitend) vermelden van deze naam. Zo zal doorgaans voor eenieder duidelijk zijn dat een bestemmingsplan met de naam ‘Centrum’ betrekking heeft op het stads- of dorpscentrum van de desbetreffende gemeente. De uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1359) betrof een geval waarin de kennisgeving onvoldoende informatie bevatte over (de omvang van) het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft.

    Het in de uitspraak van 18 mei 2016 ter discussie gestelde bestemmingsplan heeft betrekking op twee deelgebieden. Het ene deelgebied ligt in de dorpskern Bronneger, het andere in de kern Borger. Een van de appellanten betoogt dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte niet is vermeld dat het plan óók ziet op een perceel in de dorpskern Borger. Als gevolg hiervan zouden, zo is althans de stelling, belanghebbenden zijn benadeeld. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 april 2011 herhaalt de Afdeling haar eerdere overweging dat onder de zakelijke inhoud onder meer begrepen moet worden de aanduiding van het gebied waarop het plan betrekking heeft. Uit de in de kennisgeving opgenomen beschrijving van het ontwerpplan, zo stelt de Afdeling vast, kan niet worden afgeleid dat het ontwerpbestemmingsplan tevens betrekking heeft op een agrarisch perceel in de dorpskern Borger. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de naam van het ontwerpplan. Gelet hierop, zo stelt de Afdeling vast, is de kennisgeving gebrekkig.

    Dit gebrek blijft evenwel zonder consequenties voor de gemeenteraad. Het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Awb) staat namelijk in de weg aan de vernietiging van het bestemmingsplan. In dit geval betreft de gebrekkige publicatie van het ontwerpbestemmingsplan namelijk een schending van artikel 3:12 lid 1 van de Awb. De in dit artikellid vastgelegde norm betreft een procedurele en geen materiele (lees: inhoudelijke) norm. De schending van een procedurele norm moet beoordeeld worden aan de hand van de inhoud van de onderliggende materiële norm waarop die procedurele norm betrekking heeft (zie AbRS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3992 en R. Benhadi, De reflexwerking het van relativiteitsvereiste Tijdschrift voor Praktisch Bestuursrecht, februari 2014). Omdat het gebrek in de kennisgeving betrekking heeft op het deelgebied dat gelegen was in de andere dorpskern en appellant géén beroepsgronden heeft aangevoerd met betrekking tot dit gebied, is hij niet geschaad in zijn belangen. Onder deze omstandigheden staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een vernietiging van het bestemmingsplan.

    In die gevallen waarin sprake is van een gebrekkige publicatie en geen geslaagd beroep gedaan kan worden op het relativiteitsvereiste, kan wellicht wel gewezen worden op de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende. Bestaat er bij een belanghebbende namelijk twijfel of onduidelijkheid over (de omvang van) het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, dan mag van hem worden verwacht dat hij zich (actief) laat informeren over de precieze begrenzing en ligging van het plangebied. Laat hij dat na, dan kan hem dat worden tegengeworpen en is het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerpplan niet verschoonbaar (zie AbRS 6 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0271, r.o. 2.2.5).