blog

    Reikwijdte legessanctie artikel 3.1 lid 4 Wro

    Merel Copier
    Merel CopierPublicatiedatum: 5 juli 2016
    Reikwijdte legessanctie artikel 3.1 lid 4 Wro

    Artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: “de Wro”) bepaalt dat, indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar opnieuw een bestemmingsplan is vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit is genomen, de bevoegdheid tot het invorderen van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan vervalt. Het artikel regelt de zogeheten ‘legessanctie’ en is door de wetgever ingevoerd om door middel van een financiële prikkel te bevorderen dat bestemmingsplannen actueel worden gehouden. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de reikwijdte van de legessanctie. In de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (hierna: “het Hof”) van 30 maart 2016 wordt meer duidelijkheid verschaft.

    Casus

    Belanghebbende had een aanvraag omgevingsvergunning ingediend, voor (onder meer) de activiteit bouwen. Bij brief van 28 mei 2014 is deze omgevingsvergunning geweigerd en zijn leges in rekening gebracht. Omdat de aanvraag is getoetst aan een bestemmingsplan dat ouder is dan tien jaar, heeft de heffingsambtenaar bij brief van 25 juni 2014 het legesbedrag (ambtshalve) verminderd met 1) het bedrag aan leges die verband houden met het bestemmingsplan (15% voor het onderdeel bouwen, met een maximum van € 1.000,00) en 2) een bedrag voor de planologische procedure. De heffingsambtenaar is van oordeel dat de toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening en de redelijke eisen van welstand geen diensten betreffen die verband houden met het bestemmingsplan. Om die reden is volgens de heffingsambtenaar de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing en mogen voor deze diensten wél leges worden geheven. In de uitspraak van het Hof staat centraal of dit oordeel van de heffingsambtenaar juist is.

    Oordeel in eerste aanleg

    De Rechtbank Den Haag heeft in eerste aanleg (ECLI:NL:RBDHA:2015:5404, niet op www.rechtspraak.nl gepubliceerd) overwogen dat de heffingsambtenaar het niet bij het rechte eind heeft. Volgens de rechtbank dient de term ‘rechten ter zake van (…) door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan’ in de zin van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro ruim te worden uitgelegd. Onder de hiervoor bedoelde term vallen, zo oordeelt de rechtbank, volgens de letterlijke tekst van de toelichting ook de leges ter zake van bouwactiviteiten. Voor de door de heffingsambtenaar voorgestane splitsing in een toets aan het bestemmingsplan en de overige toetsen aan onder meer het Bouwbesluit 2012 ziet de rechtbank gelet op de toelichting geen ruimte (zie ook Rechtbank Gelderland 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6444).

    De Rechtbank Noord-Holland kwam in de uitspraak van 4 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:11203) tot een beperktere uitleg van de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro. Volgens de Rechtbank Noord-Holland bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de leges voor de welstandscommissie en de bodemrapporten niet geheven zouden mogen worden. Deze kosten houden volgens de Rechtbank Noord-Holland geen verband met het bestemmingsplan.

    Oordeel Hof Den Haag

    Het hof schaart zich achter de overwegingen van de Rechtbank Den Haag. Het Hof komt tot de conclusie dat het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst in de zin van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro is. Het Hof voegt hieraan wel toe dat dit anders zou kunnen zijn indien de door de heffingsambtenaar genoemde, van de behandeling van de aanvraag deel uitmakende door of vanwege de gemeente verrichte werkzaamheden – te weten de toetsing van de bouwactiviteiten aan het bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand – in de legesverordening als afzonderlijke belastbare diensten waren aangewezen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

    Omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik en de legessanctie

    Het is opvallend dat het Hof in vrij algemene bewoordingen overweegt dat het in behandeling nemen van de aanvraag van een omgevingsvergunning een met het bestemmingsplan samenhangende dienst is. Deze overweging suggereert dat (ook) alle omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, in combinatie met artikel 2.12, eerste lid onder a van de Wabo) onder de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro vallen. Het is de vraag of het Hof deze lezing heeft bedoeld. Voorzichtigheid is derhalve geboden.

    Interessant – in dit verband – is de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 27 oktober 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6444). Ten aanzien van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo (binnenplanse afwijking) overweegt de rechtbank als volgt:

    “De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de reikwijdte is van de legessanctie. Verweerder stelt dat alleen de leges inzake het planologisch strijdige gebruik à € 223 onder de legessanctie vallen, aangezien alleen deze leges direct betrekking hebben op het verouderde bestemmingplan. Voor de overige in rekening gebrachte leges ontbreekt volgens verweerder dit directe verband. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn redenering. Uit de aangehaalde Tweede nota van wijziging blijkt dat de legessanctie ziet op leges ten aanzien van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank zien alle in rekening gebrachte leges direct op de aangevraagde omgevingsvergunning voor de verbouw van eisers woning. Weliswaar splitst verweerder het totale legesbedrag uit naar verschillende categorieën, maar feitelijk hebben deze leges betrekking op één en dezelfde vergunningsaanvraag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle in rekening gebrachte leges onder de legessanctie vallen.”.

    Jurisprudentie zal moeten uitwijzen of, en zo ja, in welke gevallen de legessanctie toepasselijk is op omgevingsvergunningen voor planologisch strijdig gebruik.

    Invordering en/of heffing?

    In deze uitspraak komt tevens de vraag aan bod of de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro, naast het invorderen, ook in de weg staat aan het heffen van leges. De heffingsambtenaar had zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. De tekst van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro spreekt (enkel) van het invorderen van leges. Het Hof volgt de heffingsambtenaar evenwel niet in zijn betoog en overweegt dat artikel 3.1, vierde lid, van de Wro naar doel en strekking niet alleen aan de invordering, maar ook aan de heffing van leges in de weg staat.

    Tot slot

    De uitspraak van het Hof biedt meer duidelijkheid over de reikwijdte van de legessanctie. Het is afwachten of cassatie tegen de uitspraak van het Hof zal worden ingesteld, en zo ja, hoe de Hoge Raad over de reikwijdte van de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro denkt.