blog

    Risicoaanvaarding bloot-eigenaar bij planschade + NMR

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 21 augustus 2014

    Wij brengen de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3005) onder de aandacht. In deze uitspraak ligt de vraag voor of de bloot-eigenaar passief het risico heeft aanvaard dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden komen te vervallen op een perceel dat op het moment dat het planologische regime is gewijzigd, belast was met een recht van erfpacht en opstal. Daarnaast gaat de Afdeling in deze uitspraak in op het normaal maatschappelijk risico (normale maatschappelijke ontwikkeling?).

    Essentie

    De Afdeling overweegt dat in deze kwestie de bloot-eigenaren geen passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen, omdat zij tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet vrijelijk over het perceel konden beschikken. Evenmin waren de eigenaren feitelijk in staat om de erfpachter en opstalhouder te verplichten om van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden gebruik te maken. Derhalve kan de eigenaren niet worden tegengeworpen dat zij passief het risico hebben aanvaard dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zouden komen te vervallen.

    Wat betreft het normaal maatschappelijk risico overweegt de Afdeling dat het enkel vaststellen dat een planologische wijziging een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft niet voldoende is om aan te nemen dat de schade voor rekening van aanvrager dient te blijven. Er dient evenzeer te worden beoordeeld of de schade voor de aanvrager onevenredig uitpakt.

    Nader bekeken

    Appellanten zijn eigenaar van een perceel gelegen in het buitengebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp en stellen schade te hebben geleden in de vorm van waardevermindering van het perceel. Zij hebben het perceel reeds voordat de planologische mutatie te voorzien was, door erfopvolging in eigendom verkregen. Het perceel was op dat moment belast met recht van erfpacht en opstal en had voorheen een agrarische bestemming met daarbij de mogelijkheid om bedrijfsgebouwen, (twee) dienstwoningen en andere bouwwerken te realiseren. Met de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is de bestemming van het perceel gewijzigd in “weide” en zijn bouwwerken in beginsel niet meer toegestaan. Enkel de (aan)bouw van kassen is (nog) mogelijk, zij het onder beperkte en strenge voorwaarden. Appellanten stellen dat de waarde van het perceel is verminderd door het vervallen van bouw- en gebruiksmogelijkheden.

    Het hoger beroep van appellanten is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank Den Haag met betrekking tot de voorzienbaarheid van de schade. Artikel 6.3, aanhef en onder a van de Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak dient te worden betrokken bij de beslissing op de aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade. Op grond van vaste jurisprudentie wordt bij directe planschade bezien in hoeverre de eigenaar passief het risico heeft aanvaard dat de bestemming op zijn perceel in een voor hem ongunstige zin zou veranderen. Veelal ziet een dergelijke planologische wijziging op het vervallen van bouw- en/of gebruiksmogelijkheden. Indien de rechthebbende geen concrete pogingen heeft ondernomen tot realisering van de bouw- en/of gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologisch regime komen te vervallen, is er sprake van passieve risicoaanvaarding en komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking.

    In het onderhavige geval overweegt de Afdeling dat op grond van het gemeentelijke en provinciale beleid een redelijk denkend en handelend eigenaar, rekening diende te houden met de kans dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zouden komen te vervallen. Indien appellanten de schade wenste te voorkomen, wordt van hen verwacht dat zij concrete pogingen ondernemen om deze mogelijkheden te realiseren. Daartoe bestond de mogelijkheid tot inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

    Het desbetreffende perceel was echter tot inwerkingtreding van het bestemmingsplan belast geweest met een recht van erfpacht en opstal. Het was derhalve voor de eigenaren niet mogelijk vrijelijk over het perceel te beschikken. Daarnaast waren de eigenaren ook feitelijk niet in staat om de erfpachter te verplichten om de bouw- en gebruiksmogelijkheden te realiseren. Het was voor eigenaren derhalve niet mogelijk om de bouw- en gebruiksmogelijkheden te realiseren en derhalve kan niet worden gesteld dat zij het risico passief hebben aanvaard. Oftewel, de planologische wijziging was weliswaar voorzienbaar, maar het college heeft appellanten ten onrechte tegengeworpen dat zij hebben nagelaten concrete pogingen te verrichten om de voorheen bestaande mogelijkheden te benutten.

    Normaal maatschappelijk risico

    Ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico heeft het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt gesteld dat de schade, indien niet voorzienbaar, onder het normaal maatschappelijk risico valt. Het college had betoogd dat er een beleidsmatig en breed gedragen ontwikkeling is om de glastuinbouw te concentreren en verspreide glastuinbouw tegen te gaan. Nu dit een maatschappelijke ontwikkeling is, diende de schade voor rekening van appellanten te komen.

    De Afdeling overwoog:
    “Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro heeft, anders dan artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geen betrekking op een vergoeding van schade, maar op een tegemoetkoming in de schade. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201113115/1/T1/A2), moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling, als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden, in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.”.

    De Afdeling overweegt (onder verwijzing naar AbRS 5 september 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BX6492, zie onze nieuwsbrief van 9 september 2012) dat het college bij de beoordeling niet kan volstaan met de enkele vaststelling dat de planologische wijziging een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft. Het college dient ook te bezien of de schade voor appellanten onevenredig uitpakt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten een taxatierapport hebben overlegd waaruit blijkt dat de planologische mutatie een waardedaling tot gevolg heeft gehad van 70%. Naar aanleiding van dit taxatierapport overweegt de Afdeling dat het college alsnog dient te laten onderzoeken in hoeverre de schade tot het normale maatschappelijke risico behoort.