blog

    Te weinig gebruik maken van de huurwoning; slecht huurderschap?

    Manouk Radstaak
    Manouk RadstaakPublicatiedatum: 15 juli 2016
    Te weinig gebruik maken van de huurwoning; slecht huurderschap?

    Wanneer een verhuurder en een huurder een huurovereenkomst sluiten, brengt dit voor beide partijen verplichtingen met zich mee. In de wet staat dat één van die verplichtingen voor de huurder inhoudt dat hij zich als ‘goed huurder’ moet gedragen. Uit de rechtspraak volgt dat ‘goed huurderschap’ op allerlei soorten gedragingen betrekking kan hebben. De huurder mag bijvoorbeeld geen overlast veroorzaken. 

    Invloed uitoefenen op het gebruik

    De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1984:AG4833) heeft in 1984 al geoordeeld dat ‘goed huurderschap’ zich ook uitstrekt over het geval van langdurige afwezigheid van de huurder. Wanneer de huurder gedurende een langere tijd afwezig is, moet hij volgens de Hoge Raad feitelijk nog wel in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de wijze van het gebruik van het gehuurde te blijven dragen. De huurder moet dus steeds invloed kunnen blijven uitoefenen op het gebruik van het gehuurde. 

    Ruime uitleg van de verplichting tot ‘goed huurderschap’

    In een kwestie die speelde bij het Gerechtshof Amsterdam was sprake van een huurster die het gehuurde slechts af en toe gebruikte. In de huurovereenkomst was niet expliciet opgenomen dat huurster verplicht was om de woonruimte daadwerkelijk te bewonen. Het Hof oordeelde dat onder omstandigheden het (enkele) niet of nauwelijks bewoond laten van woonruimte een schending van de verplichting tot ‘goed huurderschap’ kan opleveren. Hierbij was van belang dat het ging om een sociale huurwoning. In dit geval hield de huurster te weinig rekening met het belang van de verhuurder om te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van een beperkt aantal sociale huurwoningen onder een grote groep minder draagkrachtigen. Nu de huurster een sociale huurwoning bezet hield en daar nauwelijks gebruik van maakte, was het Hof van mening dat onder deze omstandigheden de huurster te kort schoot in haar verplichtingen als ‘goed huurster’. Het Hof oordeelde dat dit een dusdanig ernstige schending van de huurovereenkomst met zich meebracht dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonruimte gerechtvaardigd waren.