blog

    Tijdigheid concreet schriftelijk aanbod tot schadeloosstelling en noodzaak tot onteigening

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 26 september 2012

    In dit artikel vragen wij jouw aandacht voor het Kroonbesluit van 3 september 2012 (nr. 12.002027, Staatcourant 19 september 2012, nr. 18690), waarbij de Kroon het verzoekbesluit van de raad van de gemeente Boxtel aan de Kroon om onroerende zaken ter onteigening aan te wijzen, gedeeltelijk afwijst, omdat voorafgaand aan het verzoekbesluit geen sprake is geweest van serieus minnelijk overleg, waarmee onvoldoende de noodzaak van de voorgenomen onteigening is vast komen te staan.

    De Kroon heeft in het verleden ten aanzien van de voorgeschreven minnelijke verweringspogingen steeds als uitgangspunt genomen dat van het onteigeningsmiddel pas gebruik gemaakt mag worden als gebleken is dat langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming is te bereiken. Aan die voorwaarde is volgens de Kroon voldaan, “indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Er moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg.”. Op deze standaardoverweging heeft de Kroon in het Kroonbesluit van 3 september 2012 een nuance aangebracht.

    Het verzoek van de gemeenteraad van Boxtel is afgewezen, omdat pas krap twee, respectievelijk drie weken vóór het verzoekbesluit een concreet schriftelijk aanbod tot schadeloosstelling is gedaan. De Kroon oordeelt dat de gemeenteraad de te onteigenen partijen onvoldoende duidelijkheid heeft ver-schaft over de noodzaak en de omvang van de onteigening, zoals in het onteigeningsverzoek aan de Kroon is voorgedragen. Vanwege de korte periode die aan de te onteigenen partijen is geboden om zich voldoende te kunnen vergewissen van de noodzaak, oordeelt de Kroon dat niet zeker is dat binnen afzienbare termijn alsnog tot vrijwillige (minnelijke) eigendomsoverdracht zal worden overgegaan. Daarmee is de noodzaak van de onteigening niet aangetoond. In dit Kroonbesluit speelt dat in het aan het verzoekbesluit voorafgegane minnelijke traject, de oppervlakte van de te onteigenen onroerende zaken wisselde. Het uiteindelijke schriftelijke aanbod – dat dus kort voor het verzoekbesluit aan de te onteigenen partijen is toegezonden – bevatte voor het eerst de juiste oppervlakte die ter onteigening zou moeten worden aangewezen.

    Dit Kroonbesluit volgt op het (ontwerp-)Kroonbesluit van 9 juli 2012 (nr. 12.001565) dat op 13 augustus 2012 is gepubliceerd inzake de onteigening ten behoeve van de aanleg van de verbindingsweg tussen Dokkum en Drachten, “De Centrale as” (Staatscourant 2012, nr. 15481). Ook bij die voorgenomen onteigeningen deed de provincie Friesland geen tijdig bod. De grondeigenaren kregen te weinig tijd – in veel gevallen krap twee weken – om op het concrete schriftelijke aanbod te reageren. Ook bij die onteigeningsverzoeken (maar liefst 380, waarvan er meer dan 350 zijn afgewezen) oordeelde de Kroon dat onvoldoende de noodzaak was aangetoond.

    Uit zowel het Kroonbesluit Boxtel, als het (ontwerp-)Kroonbesluit “De Centrale as” volgt dat er voldoende tijd moet zitten tussen het finale aanbod en het verzoekbesluit. De Kroon heeft een periode van twee, respectievelijk drie weken in ieder geval onvoldoende geacht. Welke periode wel voldoende is, hangt af van wat er uiteindelijk onteigend zal gaan worden; een heel landbouwbedrijf of een enkel perceel(sdeel) landbouwgrond.