blog

    Vervallen gemeentelijk voorkeursrecht

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 30 maart 2012

    Gemeentelijk voorkeursrecht vervallen ten tijde van verzoek om nietigverklaring ex artikel 26 Wvg

    Met dit artikel vragen wij jouw aandacht voor drie gelijkluidende cassatiebeschikkingen van de Hoge Raad van 23 maart 2012 (LJN: BV0608, BV0609 en BV0612). De Hoge Raad is van oordeel dat op grond van artikel 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: “Wvg”) een koopovereenkomst nietig kan worden verklaard, ook als (achteraf bezien) ten tijde van het indienen van het daartoe strekkende verzoek van een gemeentelijk voorkeursrecht geen sprake (meer) is.

    Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Bunnik van 29 september 2005 is een gemeentelijk voorkeursrecht gevestigd op onder meer een aantal percelen bouw- en weidegrond te Werkhoven. Op 25 mei 2007 is met betrekking tot deze percelen een schriftelijke koopovereenkomst tot stand gekomen.

    In artikel 26 van de Wvg is bepaald dat een gemeente de nietigheid van een rechtshandeling kan inroepen. Op 8 oktober 2007 heeft de gemeente een verzoek om nietigverklaring van de koopovereenkomst ingediend. Uit de tekst van artikel 26 Wvg volgt dat het bij de beoordeling daarvan aankomt op de stand van zaken – waaronder de voorkeurspositie van de betreffende gemeente – ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling.

    Het voorkeursrecht is in 2010 met terugwerkende kracht per 26 juni 2007 vervallen verklaard. Dit gebeurde derhalve nadat de koopovereenkomst tot stand was gekomen, maar vóór het verzoek om nietigverklaring van de gemeente. De tekst en strekking van artikel 26 Wvg geven volgens de Hoge Raad geen reden te veronderstellen dat de gemeente ook nog ten tijde van het inroepen van de nietigheid in een voorkeurspositie moet verkeren om de rechtshandeling te kunnen aantasten. Bij dit oordeel neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de dreiging van een zodanige aantasting kan bijdragen tot de effectieve werking van het voorkeursrecht.