blog

    Voorkeursrecht en aankoopverplichting

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 8 september 2011

    Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat geen sprake is van een aankoopverplichting in het kader van artikel 27 (oud) Wet voorkeursrecht gemeenten. De Afdeling oordeelt dat geen sprake is van gewichtige omstandigheden als bedoeld in artikel 15 (oud) Wvg.

    In dit artikel vragen wij jouw aandacht voor de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 mei 2011, LJN: BR5916, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 augustus 2011, LJN: BR6301.

    Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 mei 2011, LJN: BR5916, zaaknummer: HV 200.079.076

    Appellanten zijn gezamenlijk eigenaar van een bedrijfsgebouw met ondergrond. Het perceel is gelegen in het plangebied Bergse Haven, dat voorziet in de herontwikkeling van het ter plaatse aanwezige industrieterrein. De gemeente Bergen op Zoom heeft op 28 juni 2004 een  gemeentelijk voorkeursrecht op het perceel gevestigd. Tussen partijen is onderhandeld omtrent de aankoop. Omdat de gemeente uiteindelijk afziet van de realisering van het oorspronkelijke plan Bergse Haven heeft de gemeente het voorkeursrecht laten vervallen. Voordat het besluit tot het vervallen van het voorkeursrecht werd genomen, hebben appellanten ingevolge artikel 27 (oud) Wvg verzocht de gemeente te verplichten om het perceel voor het bedrag waarvan overeenstemming was bereikt, van hen af te nemen. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellanten geen opgave hebben gedaan zoals bedoeld in artikel 11 (oud) Wvg, zodat aan de toepassing van artikel 27 (oud) Wvg niet wordt toegekomen.

    De wet bepaalt dat tegen een beschikking op grond van artikel 27 (oud) Wvg geen hoger beroep openstaat. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (waaronder HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242) is, ondanks een appelverbod, toch hoger beroep mogelijk voor zover er door appellant(en) in ieder geval wordt geklaagd dat het desbetreffende wetsartikel ten onrechte buiten toepassing is gelaten. Het hof is van oordeel dat appellanten, nu er wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van een opgave als bedoeld in artikel 11 (oud) Wvg geen sprake is en artikel 27 (oud) Wvg ten onrechte buiten toepassing is gelaten, kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep. Naar het oordeel van het hof dient, in het licht van overige correspondentie, de brief van 19 november 2007 te worden aangemerkt als schriftelijke opgave als bedoeld in artikel 11 (oud) Wvg. De brief heeft geleid tot onderhandelingen tussen appellanten en de gemeente over de aankoop door de gemeente van het perceel. In aanmerking wordt genomen dat de gemeente op geen enkele wijze is benadeeld doordat in de brief niet expliciet melding is gemaakt van het feit dat er een opgave werd gedaan.

    Appellanten doen bij hun verzoek een beroep op persoonlijke omstandigheden op grond waarvan het, overeenkomstig het derde lid van artikel 27 (oud) Wvg, niet redelijk moet worden geacht dat verkoop aan de gemeente achterwege zou blijven.

    Het Hof overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit verzoek slechts kan worden toegewezen als het gaat om bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de verkoper en dat dit criterium een beperkte strekking heeft. Het hof oordeelt vervolgens dat de omstandigheid dat het pand van appellanten sinds 2007 als gevolg van de plannen van de gemeente (en/of de verslechterde marktsituatie) niet of slechts ten dele kon worden verhuurd, op zichzelf niet als ‘bijzondere omstandigheid’ in de zin van artikel 27 (oud) Wvg kon worden aangemerkt. De gemeente was derhalve niet gehouden het perceel aan te kopen.

    ABRS 25 augustus 2011, LJN: BR6301, zaaknummer: 201107423/1/H3 en 201107423/2/H3

    Deze zaak heeft betrekking op een verzoek tot ontheffing van de verplichting om met de gemeente te onderhandelen .

    Bij besluit van 19 juli 2010 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland geweigerd aan appellant ontheffing te verlenen van de verplichting om met de gemeente Teylingen te onderhandelen over de verkoop van een tuinperceel. Op het tuinperceel was een voorkeursrecht gevestigd en derhalve kon appellant conform artikel 10 (oud) Wvg eerst tot vervreemding van het perceel overgaan, nadat de gemeente in de gelegenheid was gesteld het perceel te kopen. Appellant diende een verzoek tot ontheffing van de verplichting in, omdat de gemeente ten onrechte alleen bereid was het perceel waarop het voorkeursrecht was gevestigd, te kopen en niet bereid was het woonperceel er bij te betrekken.

    De Afdeling is van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de aankoop van zowel het tuinperceel, als het woonperceel, niet slaagt. De vermelding in het besluit van 5 november 2009 dat de gemeente zowel het tuinperceel als het woonperceel bij haar aankoopoverwegingen moet betrekken, indien beide percelen gelijktijdig aan de gemeente te koop worden aangeboden, impliceert niet dat de gemeente heeft toegezegd beide percelen te kopen. Bovendien mocht het college zich op het standpunt stellen dat de omstandigheden van appellant geen gewichtige redenen zijn als bedoeld in artikel 15, tweede lid, (oud) Wvg.

    De mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing door het college van Gedeputeerde Staten is met ingang van 1 juli 2010 komen te vervallen. Thans biedt artikel 10, zesde lid, Wvg de mogelijkheid om bij burgemeester en wethouders een verzoek in te dienen om te worden vrijgesteld van de aanbiedingsplicht op grond van gewichtige redenen. Deze gewichtige redenen moeten door de vervreemder aannemelijk worden gemaakt.