blog

    Waardebepaling van het onteigende: wanneer bestemming wegdenken

    Kees van HelvoirtPublicatiedatum: 9 oktober 2012

    In dit artikel wijzen wij je op een vijftal arresten van de Hoge Raad van 28 september 2012 (LJN: BW5613, BW5614, BW5615, BW5617 en BW5619), waarin de Hoge Raad zijn arresten van 9 juli 2010 heeft bevestigd.

    In de arresten van 28 september 2012 is nogmaals geoordeeld dat bij het bepalen van de werkelijke waarde van het onteigende de bestemming die aan het onteigende is toegedacht en op basis waarvan wordt onteigend, dient te worden weggedacht.

    “indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat plan al bestaand (concreet) plan voor de aanleg voor een mede op het onteigende aan te leggen werk teneinde daarmee de juridisch planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk mogelijk zou maken”.

    Een dergelijk bestemmingsplan moet worden aangemerkt als een plan als bedoeld in artikel 40c, aanhef en onder sub 3 van de Onteigeningswet en buiten beschouwing te worden gelaten bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende. De rechtbank had verzuimd te onderzoeken of het bestemmingsplan “Omleiding N217 Stougjesdijk” is aan te merken als een plan in de zin van artikel 40c, aanhef en onder sub 3 van de Onteigeningswet en of de aan de onteigende gronden toebedachte bestemming “verkeersdoeleinden” had behoren te worden geëlimineerd, dat wil zeggen: te worden weggedacht.

    Verder heeft de Hoge Raad terecht geoordeeld dat indien vastgesteld moet worden dat de onrendabele bestemming “verkeersdoeleinden” dient te worden geëlimineerd, vervolgens beoordeeld moet worden of aan de onteigende gronden een verwachtingswaarde toekomt.

    Naar aanleiding van de 9 juli-arresten is in de literatuur discussie ontstaan over wat onder “bestaand (concreet) plan” dient te worden verstaan. Volgens sommige auteurs en lagere rechters dient onder een bestaand concreet plan ook te worden verstaan gemeentelijke plannen. Daarmee zou afscheid zijn genomen van het begrip dwangbestemming, wat met zich brengt dat een bestemming al dient te

    worden geëlimineerd, zonder dat die bestemming van hogerhand is opgelegd. Wij zijn echter van oordeel dat het afscheid van het begrip dwangbestemming met de 9 juli-arresten en thans dus de arresten van 28 september jl. niet is beoogd. Met deze arresten is naar ons oordeel uitsluitend een nuancering aangebracht op wat onder dwangbestemming dient te worden verstaan, te weten een bestaand concreet plan dat is opgelegd van hoger hand. Zie in dit verband het artikel dat afgelopen voorjaar is verschenen in het Land- en tuinbouw bulletin.