blog

    Wegbeheerdersaansprakelijkheid: onvoldoende gemotiveerd betwisten niet zonder risico

    Roel SnelPublicatiedatum: 16 april 2014

    Aanleiding voor dit artikel is een arrest van de Hoge Raad (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831). In deze zaak is de gemeente Deventer door Reaal aansprakelijk gehouden op grond van art. 6:174 BW. Reaal heeft bij zowel de rechtbank als bij het hof bot gevangen. Reaal stelt vervolgens cassatie in. In cassatie gaat het arrest van het gerechtshof alsnog onderuit.

    De uitspraak in een notendop

    Een wielrenner is met zijn voorwiel in een spleet tussen het wegdek en de berm terecht gekomen. Als gevolg daarvan is hij ongelukkig gevallen en onder een vrachtwagen terecht gekomen. De WAM-verzekeraar, Reaal, van de eigenaar van de vrachtwagen heeft de schade van de wielrenner vergoed en neemt regres op de gemeente Deventer (hierna: ‘de gemeente’). Reaal stelt daartoe dat sprake was van een gebrek aan de weg waarvoor de gemeente op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk is. De rechtbank heeft de vordering van Reaal afgewezen. Zij was van oordeel dat de weg niet gebrekkig was. Dit oordeel is door het hof bekrachtigd. Het hof heeft de aansprakelijkheid van de gemeente beoordeeld aan de hand van de criteria uit het Wilnis-arrest (ECLI:NL:HR:2010:BN6236) en geoordeeld dat Reaal:

    “(…) heeft (…) nagelaten voldoende onderbouwd te stellen dat, mede rekening houdende met de concrete kans op verwezenlijking van het gevaar, het te verwachten gebruik van de berm, de mogelijkheid van en de in redelijkheid te vergen veiligheidsmaatregelen, in de gegeven omstandigheden van de Gemeente kon worden gevergd dat zij de onder haar beheer staande wegen zodanig onderhoudt dat richels als de onderhavige telkens worden opgevuld.(…)” 

    De Hoge Raad oordeelt, in afwijking van de conclusie van de advocaat-generaal, dat het oordeel van het hof dat de gemeente geen concrete norm heeft geschonden, in het licht van de stellingen van Reaal onbegrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst het geding naar het hof Den Bosch voor verdere behandeling.

    Uitgangspunt: HR 17 december 2010, Wilnis-arrest

    De Hoge Raad herhaalt in het onderhavige arrest dat de beoordeling van de aansprakelijkheid van een wegbeheerder moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria uit het zogenoemde Wilnis-arrest. Voor de beoordeling of de weg voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het volgens dat arrest aan op de volgende punten:

    1. of de weg gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkomen van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is;
    2. hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is; en
    3. welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

    Gemotiveerde stelplicht vs. gemotiveerde betwisting

    Het hof heeft geoordeeld dat Reaal – gelet op de voornoemde criteria – niet voldoende heeft gesteld om een gebrek aan te nemen. De Hoge Raad is een volledig andere mening toegedaan. De Hoge Raad stelt vast dat in zijn algemeenheid de stelplicht voor de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een vordering op grond van art. 6:174 BW op eiser (Reaal) rust. Reaal heeft in dat kader het volgende naar voren gebracht:

    1. tussen de rijbaan en de berm bevond zich op veel plaatsen een spleet met een breedte van 3 tot 6 cm en een diepte van 7 tot 8 cm;
    2. de berm van de weg een veilige uitwijkmogelijkheid voor weggebruikers dient te bieden, hetgeen ook blijkt uit het “Handboek veilige inrichting van bermen” van CROW;
    3. de berm als gevolg van de spleet geen veilige uitwijkmogelijkheid bood. In dat verband is mede van belang dat de weg, naar de Gemeente bekend is, frequent door zwaar landbouwverkeer en racefietsers wordt gebruikt;
    4. (de berm van) de weg derhalve onveilig was voor weggebruikers;
    5. de Gemeente als wegbeheerder op relatief eenvoudige wijze maatregelen had kunnen treffen om dit gevaar te voorkomen.

    Anders dan het hof, oordeelt de Hoge Raad dat Reaal door middel van deze stellingen in beginsel voldoende heeft gesteld om een eventuele aansprakelijkheid van de Gemeente te kunnen dragen. Juist het verweer van de gemeente – dat het financieel onmogelijk is om de bedoelde spleet te herstellen – is volgens de Hoge Raad in dat licht onvoldoende gemotiveerd. Het hof had dan ook moeten oordelen dat de eiser op dat punt aan zijn stelplicht had voldaan en het gestelde voorshands als vaststaand moeten aannemen (sterker nog: zij had er zelfs voor kunnen kiezen om de bewijslast om te keren). Een en ander brengt mee dat de gemeente niet met een (zeer) algemene betwisting kon volstaan, maar uitdrukkelijk en gemotiveerd had moeten aanvoeren dat en waarom van een gebrek geen sprake is.

    Conclusie

    In de praktijk heb ik gemerkt dat gemeenten (of hun verzekeraars) naar aanleiding van het Wilnis-arrest nogal eens achterover leunen bij een aansprakelijkstelling op grond van art. 6:174 BW. Gelet op het onderhavige arrest van de Hoge Raad is dit ten dele onterecht. Indien en zodra de benadeelde voldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een gebrekkige weg als gevolg waarvan schade is geleden, kan een gemeente niet volstaan met een algemene betwisting maar zal zij concreet moeten aangeven dat en waarom geen sprake is van een gebrek. In dat kader zal een gemeente onder meer de stelling dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om de vereiste maatregelen te treffen, concreet moeten onderbouwen.

    Het onderhavige arrest doet in mijn ogen recht aan art. 6:174 BW, dat in essentie nog steeds een risicoaansprakelijkheid behelst. Op het moment dat de eiser voor zover het in zijn vermogen ligt gemotiveerd en onderbouwd aanvoert dat sprake is van een gebrek, kan een wegbeheerder niet volstaan met een simpele betwisting maar zal zij haar betwisting moeten motiveren. Bij gebreke waarvan de wegbeheerder onder omstandigheden kan worden geconfronteerd met een omkering van de bewijslast.