• Home |
  • Kennis |
  • Beginselplicht tot handhaving. Privaatrechtelijke belangen versus publiekrechtelijke grondslag voor handhaving

Beginselplicht tot handhaving. Privaatrechtelijke belangen versus publiekrechtelijke grondslag voor handhaving

Afbeelding voor Beginselplicht tot handhaving. Privaatrechtelijke belangen versus publiekrechtelijke grondslag voor handhaving

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college slechts een afweging tussen enerzijds de belangen van appellant en anderzijds de belangen van partij heeft gemaakt en dat dat niet volstaat. Het algemeen belang dat is gediend met handhaving is onvoldoende meegewogen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college dat algemene belang wel bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Het college stelt in het besluit dat het gedeeltelijk afbreken van de schuur voor appellant een onevenredig grotere schade of benadeling zal opleveren dan partij ondervindt door niet handhavend op te treden. Daarbij betrekt het college dat de overschrijding van de perceelsgrens ten opzichte van de totale oppervlakte van het perceel van partij gering is en dat de zaak privaatrechtelijk kan worden opgelost. Welke (financiƫle) gevolgen handhavend optreden precies voor appellant zou hebben, maakt het college in dat besluit niet inzichtelijk.

Op de zitting heeft appellant desgevraagd toegelicht nog geen vordering als bedoeld in art. 5:54, eerste lid, van het BW te hebben ingesteld en dat ook op minnelijke wijze geen overeenstemming is bereikt met partij over de eventuele vestiging van een zakelijk recht of de overdracht van gronden. Vaststaat dus dat er geen erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand is verleend en dat er geen overdracht van een benodigd gedeelte van het erf heeft plaatsgevonden. De Afdeling overweegt dat het college onder deze omstandigheden niet gehouden is om vanwege de regels van het burenrecht af te zien van publiekrechtelijke handhaving.

Het standpunt van het college dat het ongedaan maken van de overtreding voor appellant ingrijpende gevolgen heeft en dat daarom van handhaving moet worden afgezien, volgt de Afdeling ook niet. Op de zitting heeft appellant aangegeven dat het inkorten van de schuur, dan wel de verplaatsing daarvan lastig en kostbaar is, maar niet onmogelijk. Niet van doorslaggevend belang is dat appellant door handhavend optreden zal worden getroffen in zijn financiƫle belangen. Dat is een risico dat voor zijn rekening moet komen, omdat hij heeft gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning.