• Home |
  • Kennis |
  • Uitzondering grondentrechter in voorkeursrechtzaak nu uitgesloten is …
ABRvS 9 juli 2025, BR 2025/63

Uitzondering grondentrechter in voorkeursrechtzaak nu uitgesloten is dat nieuwe hoger beroepsgrond leidt of kan leiden tot benadeling derde-belanghebbenden. Evidentiecriterium.

Afbeelding voor Uitzondering grondentrechter in voorkeursrechtzaak nu uitgesloten is dat nieuwe hoger beroepsgrond leidt of kan leiden tot benadeling derde-belanghebbenden. Evidentiecriterium.

De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak, waarin enkel aan de orde is de vraag of het college van B en W het perceel van Lips Beheer terecht heeft aangewezen als gronden waarop een gemeentelijk voorkeursrecht rust, een uitzondering moet worden aangenomen op het uitgangspunt dat in een omgevingsrechtelijke zaak de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep toepassing blijft vinden. Het moet uitgesloten worden geacht dat het toestaan van een of meer gronden in het hoger beroep van Lips Beheer leidt of kan leiden tot benadeling van derde-belanghebbenden. De grondentrechter vindt in deze zaak dan ook geen toepassing. Wel kunnen bij het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep enkele beperkingen gelden maar dergelijke beperkingen doen zich in deze zaak niet voor.

In deze procedure gaat het niet om een beroep tegen het bestemmingsplan zelf, maar om een (hoger) beroep tegen een besluit tot vestiging van een voorkeursrecht, waarvan Lips Beheer aanvoert dat deze het bestemmingsplan als grondslag had moeten hebben. In zo’n procedure kan het bestemmingsplan zelf niet rechtstreeks ter discussie worden gesteld, maar kan wel de verbindendheid van de toegepaste planregels, als onderdeel van de ruimtelijk planologische grondslag van het voorkeursrecht, worden betwist. De mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een voorkeursrechtbesluit de gelding van een bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, strekt niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd bij de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan zelf. Als in een procedure als deze wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dan moet de bestemmingsregeling alleen onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten wanneer die bestemmingsregeling evident in strijd is met een hogere regeling. Dit is het evidentiecriterium. Voor evidentie is o.m. vereist dat die hogere regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.